|
Nederlandse
tekst: Dr. R. Pollet.
LAND
VAN HERKOMST
: België.
PUBLICATIEDATUM
VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD
: 13.03.2001
GEBRUIK:
lopende hond voor de jacht op groot wild, diensthond voor
speurwerk en gezinshond. Hij was en hij blijft nog altijd een jachthond,
maar is door zijn opmerkelijk reukvermogen in eerste instantie een
speurhond die veelvuldig gebruikt wordt, zowel voor het opsporen van
aangeschoten wild, zoals in de zweetspoorproef, als voor het opsporen
van zoekgeraakte mensen tijdens politieacties.
Door zijn functionele bouw heeft de Sint-Hubertushond een groot
uithoudingsvermogen en hij beschikt daarenboven over een uitzonderlijke speurzin, wat hem toelaat om zonder
moeite over een grote afstand en op moeilijke terreinen een spoor te
volgen.
GROEPSINDELING
F.C.I.:
Groep 6: Lopende honden, zweethonden en aanverwante rassen.
Sectie1.1: Grote lopende honden.
Met werkproef.
KORTE
GESCHIEDENIS VAN HET RAS :
Grote lopende hond (drijfhond)
en speurhond bij uitstek, met afstamming die ver teruggaat in de
geschiedenis. Hij is sinds eeuwen bekend en gewaardeerd voor zijn
uitzonderlijke speurzin en zijn goede geschiktheid voor de jacht.
Hij werd in de Ardennen door de monniken van de Sint-Hubertusabdij
gefokt. Hij zou afstammen van de zwarte of zwart-bruine drijfhonden die
in de 7e eeuw door de monnik Hubertus voor de jacht werden
gebruikt. Hubertus werd later bisschop benoemd en heilig verklaard en
hij werd de patroon van de jagers.
De verspreiding in de Ardennen van deze grote lopende honden is te
verklaren door de aanwezigheid van groot wild dat een onderkomen vond in
de uitgestrekte wouden van deze streek. De Sint-Hubertushonden werden
geroemd om hun robuustheid en hun uithoudingsvermogen, vooral bij de
drijfjacht op everzwijnen.
De eerste Sint-Hubertushonden waren zwart, maar later ook zwart-bruin.
In de elfde eeuw werden deze honden door Willem de Veroveraar in
Engeland ingevoerd. In die tijd werden er ook nog honden ingevoerd van
hetzelfde type maar met een geheel witte vacht, die ‘Talbothonden’
werden genoemd.
Met de ingevoerde honden werd in Engeland verder gefokt. De uit de
Sint-Hubertushonden gefokte nakomelingen kregen er de naam
‘bloodhound’ (bloedhond), een afleiding van ‘blooded hound’, wat
betekent een ‘hound van zuiver bloed’ en dus raszuiver.
Later ontwikkelde het ras zich eveneens verder in de Verenigde Staten.
Vooral in de Zuidelijke Staten werden deze honden ingezet om ontsnapte
slaven op te sporen.
ALGEMEEN
VOORKOMEN:
een grote, massieve jacht- en
speurhond, de krachtigste van alle lopende honden. Zijn belijning is
harmonisch en hij heeft een krachtig beendergestel, een goede
spierontwikkeling en veel substantie, maar zonder indruk van plompheid.
Hij is gestrekt van bouw, inschrijfbaar in een rechthoek. Het
totaalbeeld is imponerend en adellijk. Zijn houding is plechtstatig. Het
hoofd en de hals vallen op door een overvloedige, soepele en dunne huid,
die in diepe plooien neerhangt. Zijn gangen zijn indrukwekkend, eerder
langzaam en enigszins rollend, maar soepel, elastisch en vrij.
Geen enkel raskenmerk
mag zodanig overdreven zijn dat de harmonie van het geheel verbroken
wordt, het uiterlijk te grof wordt en nog minder dat hierdoor de
gezondheid of het welzijn van de hond worden geschaad. Als mogelijke
overdrijvingen kunnen worden vermeld: te diepliggende of te kleine ogen;
open oogleden; overdreven overvloedige en losse huid, met te veel en te
diepe plooien; te veel keelhuid; te smal hoofd. Te grote honden, met een
te zwaar en te massaal lichaam, zijn evenmin gewenst, daar dit nadelig
is voor hun gebruikswaarde.
BELANGRIJKE
VERHOUDINGEN:
- Lichaamslengte/schofthoogte:
10/9.
- Borstdiepte/schofthoogte:
1/2.
- Hoofdlengte/lichaamslengte:
3/7.
- Snuitlengte/hoofdlengte:
1/2.
GEDRAG
/ KARAKTER:
zacht, rustig, vriendelijk en sociaal ten opzichte van mensen. Bijzonder
aanhankelijk aan zijn meester. Verdraagzaam met zijn kennelgenoten en
andere huisdieren. Hij is eerder gereserveerd en eigenzinnig. Is even
gevoelig voor waardering als voor bestraffing. Is nooit agressief. Heeft
een zwaar stemgeluid, maar is geen blaffer.
HOOFD:
het imponerende en majestueuze hoofd vertoont veel adel en is het meest
kenmerkend voor het ras. Het is diep, maar smal in verhouding tot de
hoofdlengte en lang in verhouding tot de lichaamslengte. De
beenderstructuur is goed zichtbaar. De zijkanten zijn vlak en het
profiel is vierkant. De neusrug is duidelijk evenwijdig aan de verlengde
bovenlijn van de schedel. De overvloedige en dunne huid vormt op het
voorhoofd en de wangen diepe rimpels en plooien, die naar beneden hangen
wanneer het hoofd laag wordt gedragen en die worden voortgezet in de
plooien van de sterk ontwikkelde keelhuid. De huid is minder overvloedig
bij de teven.
SCHEDELGEDEELTE:
de schedel is diep, lang, eerder smal en met vlakke zijkanten. De
wenkbrauwbogen steken weinig vooruit, alhoewel dit zo kan lijken. De
jachtknobbel is sterk ontwikkeld en steekt duidelijk uit.
Stop:
weinig gemarkeerd.
SNUITGEDEELTE:
Neus: zwart of kastanjebruin; altijd zwart bij de
zwart met bruin honden. De neus is breed en goed ontwikkeld en de
neusgaten goed geopend.
Snuit: even lang als de schedel, diep, breed bij de
neusgaten en over de hele lengte even breed. De neusrug is ofwel recht,
ofwel iets omhoog welvend (lichte ramsneus).
Lippen: zeer lang en slap; boven de onderlippen
afhangende bovenlippen, die vooraan een rechte hoek vormen met de
neusrug, zodat de snuit een vierkant profiel krijgt. Achteraan, naar de
mondhoeken toe, worden het diepe hanglippen (minder uitgesproken bij
teven), die ongemerkt overgaan in de overvloedige keelhuid. De rand van
de bovenlippen hangt ongeveer 5 cm dieper dan de onderkaak. De lipranden
zijn goed gepigmenteerd, naargelang de kleur van de neus zwart of
kastanjebruin.
Kaken/tanden: volledig en correct ‘schaargebit’;
sterke, witte tanden, regelmatig ingeplant in de goed ontwikkelde
kaakbeenderen; een ‘tanggebit’ wordt getolereerd.
Wangen: ingevallen en mager, vooral onder de ogen.
Ogen: donkerbruin of hazelnootkleurig, lichter van
tint (amberkleurig) bij honden zonder zwart zadel of mantel. Ogen
middelgroot, ovaal, niet tranend, noch uitpuilend, noch diep in de
oogkas liggend, met iris volledig zichtbaar. Oogleden zonder
onregelmatigheid in hun omtrek, die normaal aan de oogbol aansluiten;
iets uitzakkende onderste oogleden, met bijgevolg wat zichtbaar
bindvlies, worden nochtans getolereerd. De wimpers mogen in geen geval
de ogen raken en hinderen. De expressie is zacht, vriendelijk en waardig,
de blik iets melancholisch.
Oren: dun en soepel, bedekt met kort, fijn,
fluweelzacht aanvoelend haar; oorschelpen zeer lang, wanneer over de
neusrug gelegd tot minstens voorbij de neuspunt reikend; oren zeer laag
aangezet, op ooghoogte of lager, opzij van het hoofd, sierlijk geplooid
neerhangend, binnenwaarts en naar achteren gedraaid (kurkentrekkeroren).
HALS:
lang, zodat de hond een spoor kan volgen met de neus tegen de grond;
krachtig bespierd; de keelhuid is los en extreem ontwikkeld, met dubbele
wammen, maar dit is minder uitgesproken bij teven.
ROMP:
De boven- en de onderbelijning verlopen bijna evenwijdig.
Schoft:
licht gemarkeerd.
Rug: recht, breed, lang en stevig.
Lenden: breed, sterk, kort, zeer licht gewelfd.
Kruis: goed gespierd, bijna horizontaal, nooit
afvallend, goed breed en tamelijk lang.
Borst: ovaalvormig, breed, diep, duidelijk een kiel
vormend tussen de voorbenen; borstkas voldoende lang; voorborst en
boegpunt goed uitkomend; ribben goed gewelfd, noch vlak, noch tonvormig.
Onderbelijning en buik: onderlijn haast horizontaal
verlopend; onderborst goed diep; goed gevulde, brede en diepe flanken;
buik slechts zeer licht opgetrokken.
STAART:
lang, krachtig, dik, hoog
aangezet, in het verlengde van de ruglijn, naar het uiteinde toe
geleidelijk versmallend; in sabelvorm gedragen; wanneer in actie,
sierlijk boven de ruglijn gebogen, nooit opgerold of zijdelings
afwijkend; is onderaan bedekt met grover haar, ongeveer 5 cm lang, dat
naar het uiteinde toe geleidelijk korter wordt.
LEDEMATEN
VOORSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld: goed bespierd; voorbenen krachtig, recht
en volkomen parallel.
Schouder: lang, goed schuinliggend, goed bespierd maar
niet beladen.
Opperarm: lang, schuin en een goede hoeking vormend
met de schouder.
Elleboog: goed aanliggend, noch afstaand, noch
aangedrukt.
Onderarm: recht, krachtig en rond bot.
Pols: stevig.
Voormiddenvoet: robuust, in vooraanzicht loodrecht,
van terzijde gezien licht naar voren hellend.
Voorvoet: compact, zeer stevig; noch naar binnen, noch
naar buiten gekeerd; de tenen goed omhoog gewelfd, goed knokkelig en
gesloten (kattenvoeten); dikke, stevige voetzolen; korte, krachtige
nagels.
ACHTERSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld:
stevig, sterk bespierd, in harmonie met de voorste ledematen; gezien van
achteren volkomen parallel, noch eng, noch wijd.
Dij: van goede lengte en krachtig bespierd.
Knie: goed gehoekt; noch naar binnen, noch naar buiten
gekeerd.
Onderschenkel: voldoende lang en sterk bespierd.
Sprong: stevig, laag bij de grond en goed gehoekt.
Achtermiddenvoet: sterk en kort.
Achtervoet: zoals de voorvoet.
GANGWERK:
de beoordeling van de bij de Sint-Hubertushond zeer typische gangen is
uiterst belangrijk. Bij de normale gang, de draf, is de beweging
regelmatig, met afgemeten passen, verend en vrij, meer
terreinbestrijkend dan bij elke andere drijfhond, en, wat een typisch
kenmerk is, al rollend, maar zonder scheef te lopen. De achterbenen
zwaaien goed naar achteren, er is een goede achterhandstuwing, de
paswijdte van de voor- en de achterbenen is gelijk en de bovenbelijning
blijft horizontaal. De ledematen bewegen parallel, maar de voeten komen
dichter bij elkaar bij hogere snelheid. De staart wordt sabelvormig
omhoog gedragen, zonder dat de buiging al te uitgesproken wordt. De
Sint-Hubertushond moet in staat zijn om geruime tijd te blijven draven,
zonder tekenen van vermoeidheid te vertonen.
HUID:
over het hele lichaam soepel,
los en elastisch. De dunne, zeer losse en overvloedige huid op het hoofd
is zeer kenmerkend. Op het voorhoofd en de zijkanten van de snuit vormt
de huid naar beneden hangende plooien, die nog duidelijker merkbaar zijn
wanneer het hoofd laag wordt gedragen. Te sterke rimpeling en
plooivorming op het voorhoofd en de wenkbrauwbogen mogen nochtans nooit
nadelig zijn voor de ogen. Huidplooien op het lichaam door een te ruime
huid zijn niet gewenst.
VACHT
VACHTSOORT:
de vlak aanliggende vacht op het lichaam is kort, dicht, tamelijk hard
en weerbestendig. Op het hoofd en de oren is het haar zeer kort en het
voelt zacht aan. De onderzijde van de staart is bedekt met iets langere
en ruwere haren.
VACHTKLEUR:
er worden drie vachtkleuren onderscheiden: de tweekleuren ‘zwart met
bruin’ (‘black and tan’) en ‘leverkleur met bruin’ (‘liver
and tan’), en de eenkleur ‘rood’ (‘red’). Bij de zwart met
bruin honden varieert de mate van zwart, naargelang het een mantel of
een zadel betreft. Een mantelhond is overwegend zwart: het (roest)bruin
of de brand bevindt zich enkel op de snuit, de wangen, boven de ogen, op
de voorborst, de ledematen en rondom de anus. Een zadelhond vertoont
meer uitgebreide brand, daar het zwart min of meer begrensd blijft tot
het ruggedeelte. Dezelfde kleurpatronen komen voor bij de tweekleur
leverkleur met bruin. De kleuren komen niet altijd goed tot uiting en de
kleurbegrenzing is niet altijd scherp. In de donkere gedeelten verspreid
kunnen lichtere of daskleurige haren voorkomen. Een dergelijke
vermenging van verschillend gekleurde haren is toegestaan. Bij de
eenkleur rood kan het rood variëren van licht tot donker rood.
Een uitgewassen kleur van het bruin (brand) bij de tweekleurigen of van
het rood bij de eenkleurigen is ongewenst. Een weinig wit op de
voorborst, de tenen en de staartpunt wordt getolereerd, maar is niet
gewenst.
GROOTTE
EN GEWICHT:
Schofthoogte:
de ideale hoogte is - 68 cm
voor de reuen,
- 62 cm voor de teven.
Toleranties: 4 cm naar beneden of naar
boven.
Gewicht:
- reuen ongeveer 46-54 kg,
- teven ongeveer 40-48 kg.
Schofthoogte en gewicht moeten harmoniëren.
FOUTEN:
Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden,
die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
-
Algemeen
voorkomen:
plomp; weinig substantie; licht van bot; hoog- of laagbenig; eerder
vierkant dan rechthoekig van bouw; gebrek aan adel.
-
Hoofd:
brede en omvangrijke of overdreven smalle schedel; wijkend voorhoofd;
te sterk naar voren hangende voorhoofdshuid; jachtknobbel weinig
geprononceerd; te duidelijke stop; concave neusrug; korte of ondiepe
snuit; te weinig afhangende bovenlippen.
-
Neusspiegel
en lippen: pigmentverlies.
-
Gebit:
ontbreken van tanden.
-
Ogen:
te klein, te diep in de oogkassen; te sterk uitgezakt onderste
ooglid, te veel zichtbaar bindvlies.
-
Oren:
te kort, te dik, boven ooghoogte aangezet, te veel tegen het hoofd
aanliggend of te vlak.
-
Hals:
kort; tenger; met weinig keelhuid.
-
Romp:
kort of te lang; weinig diepe borst; voorborst weinig uitkomend van
opzij bekeken; ribben vlak of tonvormig; rug zwak of gewelfd; kruis
overbouwd of afvallend; buik te opgetrokken.
-
Staart:
laag aangezet; eekhoorn-, ring-, krul-, knik- of gebroken staart;
een haak vormend of afbuigend.
-
Ledematen:
te weinig of te veel gehoekt; korte opperarm; slechte standen gezien
van opzij (b.v. te schuine voormiddenvoeten of zwakke polsen), van
voren (b.v. naar binnen of
naar buiten gekeerde voetenstand, gebogen onderarmen, uitgedraaide
ellebogen, enz.) of van achteren (b.v. achterbenen nauw, wijd of
tonvormig, hakkeneng of hakkenwijd, enz.); spreid-, hazen- of
platvoeten.
-
Gangwerk:
beweging nauw, wijd; kruisen of scheef lopen; gebonden gangen of
steltgang; weinig stuwing, slechte rugoverbrenging.
-
Vachtkleur:
lichte of uitgewassen kleuren.
-
Karakter:
onzeker of zenuwachtig.
DISKWALIFICERENDE
FOUTEN:
-
Karakter:
agressieve of te angstige honden.
-
Algemeen
voorkomen:
afwezigheid van rastype.
-
Gebit:
onder- of bovenvoorbeet; kruisgebit; scheve bek.
-
Neusspiegel
en lippen: sterk gedepigmenteerd of roze gekleurd;
anderskleurig dan zwart bij ‘zwart met brand’ honden;
anderskleurig dan (kastanje)bruin of zwart bij honden zonder zwart
zadel of zwarte mantel.
-
Ogen:
lichtgeel (roofvogeloog).
-
Vachtkleur:
alle kleuren die niet overeenstemmen met wat is beschreven: te
uitgebreide witte aftekeningen, zoals wit dat reikt tot aan de
polsen of de sprongen, of te uitgebreid wit op de voorborst; witte
vlekken elders dan op de voorborst, de tenen en de staartpunt, zoals
een witte snuit, een witte bles, enz.
-
Schofthoogte:
buiten de toleranties.
- Een
hond die eender welk teken van lichamelijke anomalie vertoont moet
gediskwalificeerd worden.
N.B.: De
reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum
zijn
ingedaald.
|