|
Nederlandse
tekst:
Dr.
R. Pollet
LAND
VAN HERKOMST:
België.
PUBLICATIEDATUM
VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD:
25.03.2003.
GEBRUIK:
Kleine
waak- en gezelschapshond.
GROEPSINDELING
F.C.I.:
Groep 1: Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd Zwitserse
veedrijvershonden).
Sectie 1: Herdershonden. Zonder werkproef.
KORTE
GESCHIEDENIS VAN HET RAS:
In Vlaams dialect betekent Schipperke ‘kleine scheper’ of
‘herdershondje’. De gemeenschappelijke voorvader van de Belgische
Herdershonden en van de Schipperkes zou een oud ras zijn, een
herdershond, meestal zwart en tamelijk klein, die ‘Leuvenaar’ wordt
genoemd. Zijn oorsprong gaat terug tot de 17de eeuw. Rond 1690 was het
Schipperke de lievelingshond van de volksmensen en van de Brusselse
schoenlappers van de Sint-Gorikswijk, die wedstrijden organiseerden om
de halsbanden in gedreven koper te laten bewonderen waarmede ze hun
honden sierden. De staart werd volledig afgesneden, een mode die naar
het schijnt reeds dateert uit de 15de eeuw. Het Schipperke was befaamd
als jager op muizen, ratten, mollen en ander ongedierte. Het Schipperke
werd voor de eerste maal tentoongesteld in 1882 in de stad Spa. Hij werd
in de mode gebracht door de Belgische koningin Maria Henrica.
In 1887 deed hij zijn intrede in Groot-Brittannië en de Verenigde
Staten. De eerste rasstandaard werd vastgesteld in 1888 door de voor het
ras verantwoordelijk club, die in datzelfde jaar werd opgericht en die
de oudste Belgische rasvereniging is. In de loop der jaren is het dan
wel nodig geweest om zich aan het werk te zetten om eenheid te brengen
in het type. In die tijd werd inderdaad gesproken van de variëteiten
van Antwerpen, Leuven en Brussel.
ALGEMEEN
VOORKOMEN:
het
Schipperke is een herdershond in klein formaat, dus een lupoïde, maar
zeer stevig gebouwd. Zijn hoofd is wigvormig, de schedel tamelijk
ontwikkeld en de snuit betrekkelijk kort. Zijn lichaam is harmonisch,
kort, tamelijk breed en gedrongen, maar de ledematen zijn fijn van bot.
De beharing is zeer karakteristiek, overvloedig en recht, en vormt een
halskraag, manen, een borstveer en een broek, wat hem zijn waarlijk
uniek silhouet verleent. Het geslachtsdiformisme is duidelijk. Zijn
lichaamsbouw zonder anomalieën, evenals zijn kenmerkende eigenschappen
en zijn herdershondenkarakter, dit alles in klein formaat, verklaren
zijn grote populariteit die tot ver over de Belgische grenzen reikt.
BELANGRIJKE
VERHOUDINGEN:
de
schofthoogte en de lichaamslengte zijn gelijk, het is dus een
vierkant gebouwde hond. De borst is goed diep, tot ellebooghoogte
reikend. De snuit is duidelijk minder lang dan de helft van de
hoofdlengte.
GEDRAG
/ KARAKTER:
een uitmuntend waakhondje, een uitzonderlijke ‘waarschuwer’,
bruisend van vitaliteit, afzijdig ten opzichte van vreemden. Beweeglijk,
lenig, onvermoeibaar, altijd bezig met wat er rond hem gaande is, klaar
om te bijten bij voorwerpen die hem ter bewaking worden toevertrouwd,
zeer lief voor kinderen, altijd nieuwsgierig om te weten wat er gebeurt
achter een deur of een voorwerp dat men zal verplaatsen, lucht gevend
aan zijn gevoelens door zijn schel geblaf en zijn rechtopstaande manen
en rugbeharing. Hij is een snuffelaar, die jaagt op ratten, mollen en
ander ongedierte.
HOOFD:
wolfachtig
(lupoïde), wigvormig, maar niet al te gestrekt en voldoende breed om in
harmonie te zijn met het lichaam. Wenkbrauw- en jukbeenbogen matig
gewelfd. De overgang van het schedelgedeelte naar het snuitgedeelte is
duidelijk, maar mag toch niet te sterk geaccentueerd zijn.
SCHEDELGEDEELTE:
voorhoofd tamelijk breed, naar de ogen toe vernauwend, van opzij gezien
licht afgerond. De bovenlijnen van de schedel en de snuit verlopen
evenwijdig.
Stop:
duidelijk, maar zonder overdrijving.
SNUITGEDEELTE:
Neus:
klein, neusspiegel altijd zwart.
Snuit:
scherper wordend naar de neus toe, goed gebeiteld, niet te gestrekt, het
uiteinde niet afgeknot; lengte ongeveer veertig procent van de totale
lengte van het hoofd; neusrug recht.
Lippen:
zwart, goed aansluitend.
Kaken/gebit:
gezonde en goed ingeplante tanden. ‘Schaargebit’; het
‘tanggebit’ wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de
tandformule. Het ontbreken van één of twee premolaren 1 (1 P1 of 2
P1’s) of van één premolaar 2 (1 P2) wordt getolereerd en de molaren
3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.
Wangen:
droog, geleidelijk overgaand in de zijgedeelten van de snuit.
Ogen:
donkerbruin van kleur, klein, amandelvormig, noch diepliggend, noch
uitpuilend; ondeugende, levendige en doordringende blik; zwart omrande
oogleden.
Oren:
goed rechtopstaand, zeer klein, puntig, driehoekig (zoveel mogelijk
gelijkzijdig driehoekig), hoog aangezet maar niet te dicht bij elkaar,
stevig, uitermate beweeglijk.
HALS:
sterk, krachtig gespierd en zeer omvangrijk lijkend door de overvloedige
beharing van de halskraag, middellang, goed uitkomend, goed gedragen en
meer opgericht wanneer hij aandachtig is, de bovenbelijning (halslijn)
licht gewelfd.
ROMP:
kort en breed, dus gedrongen, maar niet overdreven omvangrijk of zwaar,
inschrijfbaar in een vierkant is ideaal, dus met de lichaamslengte vanaf
het boegpunt tot aan het zitbeenpunt ongeveer gelijk aan de
schofthoogte.
Bovenbelijning:
de bovenlijn van de rug en de lendenen is recht en goed strak, dikwijls
licht stijgend van het kruis naar de schoft toe.
Schoft:
sterk afgetekend en nog hoger lijkend door de manen.
Rug:
kort, recht en sterk.
Lenden:
kort, breed en stevig.
Kruis:
kort, breed en horizontaal; het achterste gedeelte van het kruis, de
overgang dus tussen het kruis en het zitbeenpunt, is harmonisch
afgerond, hetgeen wordt genoemd ‘achterste van een Guinees
biggetje’.
Borst:
goed diep, tot ellebooghoogte reikend; breed in vooraanzicht en achter
de schouders, dus de ribben goed gewelfd; voorborst van opzij gezien
duidelijk uitkomend.
Onderbelijning:
onderborst goed diep, reikend tot aan de ellebogen, harmonisch en licht
stijgend naar de buik toe, die matig opgetrokken is, noch neerhangend,
noch windhondachtig.
STAART:
afwezig, maar wanneer geen caudectomie (couperen van de staart) werd
toegepast moet de staart lang zijn, stevig bij de aanzet, naar het
uiteinde toe versmallen en minstens tot aan de sprong reiken. In rust
bij voorkeur hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen
licht naar achteren gebogen. Mag in actie opgeheven worden, in het
verlengde van de bovenbelijning, bij voorkeur niet hoger. De
staartaanzet mag in geen enkele mate de belijning schaden van het kruis,
dat met een harmonische ronding onmerkbaar in de dijen overgaat en de
indruk geeft van een ‘Guinees biggetjes achterste’. Een opgerolde
staart wordt getolereerd, maar is niet gewild.
LEDEMATEN:
fijn van beendergestel en goed onder het lichaam geplaatst.
VOORSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld:
voorbenen van alle zijden gezien loodrecht en volkomen evenwijdig in
vooraanzicht; hun lengte van de grond tot aan de ellebogen is ongeveer
gelijk aan de helft van de schofthoogte.
Schouders:
lang en goed schuin; schouderhoeking normaal.
Opperarmen:
lang en voldoende schuin.
Ellebogen:
vast, noch afstaand, noch aangedrukt.
Onderarmen: recht, in vooraanzicht tamelijk uit elkaar.
Polsen:
stevig en effen.
Voormiddenvoeten:
tamelijk kort, in vooraanzicht in het verlengde van de onderarmen, van
terzijde hoogstens zeer licht naar voren hellend.
Voorvoeten:
klein, rond en gesloten (‘kattenvoeten’); de tenen gebogen; de
nagels kort, sterk en altijd zwart.
ACHTERSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld:
de achterbenen moeten zich onder het lichaam bevinden en in
achteraanzicht volkomen evenwijdig zijn.
Dijen:
lang, sterk gespierd en door de dikte van de broek nog breder lijkend.
Knie:
bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.
Onderschenkels:
ongeveer even lang als de dijen.
Sprongen:
normale hoeking.
Achtermiddenvoeten:
eerder kort; wolfsklauwen niet gewenst.
Achtervoeten:
zoals de voorvoeten, of iets langer.
GANGWERK:
in draf
is de beweging soepel, vast, met een gemiddelde paswijdte en een
goede achterhandstuwing, waarbij de rug horizontaal blijft en de
ledematen evenwijdig bewegen; de beweging van de voorbenen is in
harmonie met de achterbenen en de ellebogen mogen niet uitdraaien. Bij
een hogere snelheid convergeren de ledematen.
HUID:
goed strak over het hele lichaam.
VACHT:
BEHARING:
het dekhaar is overvloedig, dicht, recht, voldoende hard, tamelijk vast
van textuur, dus droog en stevig aanvoelend, samen met de zachte en
dichte ondervacht een uitstekende beschutting vormend. Het haar is zeer
kort op de oren en kort op het hoofd, de voorzijde van de voorbenen, de
sprongen en de achtermiddenvoeten. Op het lichaam is het haar middellang
en aanliggend. Rond de hals is de beharing vanaf de buitenrand van de
oren veel langer en meer afstaand, waarbij, vooral bij de reu, maar ook
bij de teef, een brede en zeer typische ‘kraag’ (lange haren rond de
hals die aan beide zijden uitsteken), ‘manen’ (lange haren op het
bovengedeelte van de hals, die zich uitstrekken tot op de schoft en
zelfs tot op de schouders) en een ‘borstveer’ (lange haren op het
ondergedeelte van de hals en op de voorborst, die zich uitstrekken tot
tussen de voorbenen en geleidelijk eindigen onderaan de borst) worden
gevormd. Aan de achterzijde van de dijen wordt de ‘broek’ gevormd
door lange en overvloedige haren, die de anaalstreek bedekken en waarvan
de haaruiteinden op een zeer typische manier naar binnen zijn gericht.
De staart is bedekt met haar dat even lang is als op het lichaam.
HAARKLEUR:
eenkleurig zwart. Het onderhaar moet niet absoluut zwart zijn, maar het
mag ook donkergrijs zijn, indien het volledig wordt bedekt door het
bovenhaar.
GEWICHT:
3 tot 9 kg. Een gemiddeld gewicht van 4 tot 7 kg wordt
nagestreefd.
Honden die minder wegen dan 3 kg en meer dan 9 kg kunnen niet als
uitmuntend beschouwd worden.
FOUTEN:
elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd
worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
Algemeen
voorkomen:
plomp; te weinig substantie; laag- of hoogbenig; gestrekt lichaam, inschrijfbaar in een rechthoek.
Hoofd:
te gestrekt of te kort; niet-parallelle belijning van schedel en
neusrug; vosachtig voorkomen;
te uitstekende wenkbrauw- of jukbeenbogen.
Schedelgedeelte:
te smal; voorhoofd te rond of bol (‘appelhoofd’).
Snuit:
te lang, geknepen; dik, afgeknot; ramsneus.
Gebit:
onregelmatig of slecht ingeplante snijtanden;
ernstige fouten zijn
het ontbreken van één snijtand (1 I), van drie premolaren 1 (3
P1) of
van twee
premolaren 2 (2 P2).
Ogen:
groot, rond of uitpuilend; lichte kleur (‘hazelnootkleur’ is nog
aanvaardbaar).
Borst:
smal, vlak, cilindrisch; niet voldoende diep.
Kruis:
lang, hellend, overbouwd; discontinue ronding van achterzijde (overgang
kruis-achterste gedeelte van dijen).
Ledematen:
te weinig of overdreven gehoekt.
Gangwerk:
nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte
rugoverbrenging, hoog opheffen van de voorbenen (steppen) of huppelende
beweging van de achterbenen.
Vacht:
te kort (gladhaar), te lang, schraal, zacht of zijdeachtig, gegolfd, te
vlak tegen het
lichaam aanliggend of neerhangend; te weinig of geen halskraag, manen, borstveer
of broek (is een ernstiger fout bij reuen, vooral het ontbreken van de
halskraag). Onvoldoende ondervacht.
Kleur:
grijze, bruinachtige of rossige schijn in het dekhaar; enkele toevallige
witte haren,
bijv. op de tenen; wat grijs, bijv.
op de snuit, te wijten aan ouderdom, wordt geduld.
Karakter:
apathisch of bang.
DISKWALIFICERENDE
FOUTEN:
Karakter:
hypernerveus, agressief of angstig.
Algemeen
voorkomen:
afwezigheid van rastype.
Gebit:
bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact
(omgekeerd schaargebit); kruisgebit; ontbreken van een hoektand (1 C),
een scheurkies boven (1
P4) of onder (1 M1), een molaar (1 M1 of 1 M2, behalve M3), een
premolaar 4 (P4 onder),
een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in totaal drie tanden of
meer (behalve
de 4 premolaren 1).
Neusspiegel,
lippen, oogleden:
gedepigmenteerd.
Oren:
hangend of halfstaand.
Vacht:
lang en zacht of zijdeachtig, dus een vacht duidelijk van het type
‘langhaar’; franjes van lag haar op de oren, achteraan de dijen,
enz.; totale afwezigheid van onderwol.
Kleur:
iedere vachtkleur anders dan zwart (behalve grijze, bruinachtige of
rossige schijn) of met zeer kleine witte vlekken, zelfs op de tenen.
Gewicht:
duidelijk buiten de opgelegde grenzen.
Iedere
hond met duidelijke lichaams- of gedragsafwijkingen moet worden
gediskwalificeerd.
N.B.:
De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het
scrotum zijn
ingedaald.
|