|
Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet
LAND
VAN HERKOMST: Frankrijk / België.
PUBLICATIEDATUM
VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD: 10.01.1972.
GEBRUIK:
gezelschapshond.
GROEPSINDELING
F.C.I.:
Groep 9: Gezelschapshonden.
Sectie 1: Bichons en verwante rassen.
Zonder werkproef.
ALGEMEEN
VOORKOMEN:
een klein, vrolijk, opgeruimd en levendig hondje. De snuit is
middellang, de beharing lang, los en spiraalvormig gelokt, gelijkend op
de vacht van een Mongoolse geit. Het hoofd wordt fier en hoog gedragen,
de donkere ogen zijn levendig en vol expressie.
HOOFD:
in harmonie met het lichaam.
SCHEDELGEDEELTE:
Schedel:
eerder vlak aanvoelend, alhoewel het garnituur de schedel rond doet
lijken. De schedel is langer dan de snuit.
Stop: weinig afgetekend.
SNUITGEDEELTE:
Neus: afgerond, goed zwart, fijnkorrelig en glanzend.
Snuit: mag niet dik of grof zijn, maar ook niet
geknepen. De groef tussen de wenkbrauwbogen is iets zichtbaar.
Lippen:
fijn, droog, minder nochtans dan bij het Schipperke, juist genoeg
neervallend om de onderlip te bedekken, maar nooit zwaar of doorhangend;
normaal zwart gepigmenteerd tot aan de mondhoeken; de onderlip mag niet
zwaar of zichtbaar en ook niet zacht zijn, en mag bij gesloten bek de
slijmvliezen niet laten zien.
Kaken/tanden:
het gebit is normaal, wat betekent dat de snijtanden van de onderkaak
zich onmiddellijk achter en tegen de punt bevinden van de snijtanden van
de bovenkaak.
Wangen:
vlak en niet erg gespierd.
Ogen:
zo donker mogelijk, omrand door donkere oogleden, zijn eerder rond en
niet amandelvormig; niet schuin geplaatst, levendig, niet te groot en
laten geen oogwit zien; de ogen zijn niet groot of vooruitstekend zoals
bij het Brussels Griffonnetje of de Pekingees; de oogkas mag niet naar
voren uitsteken. De oogbol mag niet op een overdreven wijze uitspringen.
Oren: hangen neer en zijn goed bedekt met fijn
gekroesde lange haren; ze zijn wanneer de aandacht getrokken wordt
eerder naar voren gedragen, maar op zo een manier dat de voorste rand de
schedel raakt en er zich niet schuin naast bevindt; het oorkraakbeen
moet niet zoals bij de Poedel kunnen reiken tot aan de neus, maar wel
tot aan het midden van de snuit. De oren zijn overigens heel wat minder
breed en fijner dan bij de Poedel.
HALS:
tamelijk lang en wordt hoog en fier gedragen. Is dicht bij de schedel
rond en fijn, geleidelijk verbredend om vloeiend in de schouders over te
gaan. Zeer bij benadering is de halslengte één derde van de
lichaamslengte (een verhouding van 11 tot 33 cm voor een hond met
schofthoogte 27 cm), waarbij het bovenste gedeelte van de schouderbladen
aan de schoft als basis worden genomen.
ROMP:
Lenden: kort en goed breed, licht gewelfd.
Kruis:
licht afgerond.
Borst:
goed ontwikkeld, borstbeen goed uitkomend, de valse ribben goed gerond
en niet bruusk eindigend, want de borst is in de breedte tamelijk ruim.
Flanken:
tamelijk opgetrokken aan de buik; de huid is er dun en niet loshangend,
wat een tamelijk windhondachtige indruk geeft.
STAART:
iets lager onder de ruglijn aangezet dan bij de Poedel. Normaal
wordt de staart opgericht gedragen en sierlijk gebogen, in het vlak van
de ruggengraat, zonder opgerold te zijn; wordt niet ingekort en mag niet
tot op de rug reiken; de staartpluim nochtans mag op de rug vallen.
LEDEMATEN
VOORSTE
LEDEMATEN:
van voren gezien zijn de ledematen recht en met een goede stand; het
beendergestel is fijn.
Schouder:
tamelijk schuin, niet uitstekend, even lang lijkend als de opperarm,
namelijk ongeveer 10 cm.
Opperarm: niet van het lichaam afstaand.
lleboog: niet naar buiten gedraaid.
Voormiddenvoet: van voren gezien kort en recht,
van opzij gezien zeer licht gebogen.
ACHTERSTE
LEDEMATEN:
het bekken is breed.
Dij: breed en goed gespierd, goed schuin.
Sprong: in vergelijking met de Poedel meer
gehoekt.
VOETEN:
stevig. Nagels bij voorkeur zwart, wat een moeilijk te bereiken ideaal
is.
HUID:
bij voorkeur donkere pigmentatie onder de witte vacht; de
geslachtsorganen zijn dan zwart of blauwachtig of beige van tint.
VACHT
BEHARING:
fijn, zijdeachtig, spiraalvormig, zeer los, gelijkend op de beharing van
de Mongoolse geit, noch vlak, noch koordvormig, 7 tot 10 cm lang.
Toilet: de hond mag voorgebracht worden met het
haar van de voeten en de snuit licht ingekort.
VACHTKLEUR:
zuiver wit.
GROOTTE:
De schofthoogte mag niet meer bedragen dan 30 cm, want een kleine
maat draagt bij tot het succes van het ras.
FOUTEN:
elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd
worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
DISKWALIFICERENDE
FOUTEN :
N.B.
: De
reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum
zijn
ingedaald.
|