Krulharige Leeuwtje 
(Bichon à poil frisé)

FCI - Standaard  N° 215  -  11.05.1998


Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet

LAND VAN HERKOMST: Frankrijk / België.

PUBLICATIEDATUM VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD: 10.01.1972.

GEBRUIK: gezelschapshond.  

GROEPSINDELING F.C.I.: 
Groep 9: Gezelschapshonden.
Sectie 1: Bichons en verwante rassen. 
Zonder werkproef.

ALGEMEEN VOORKOMEN:
een klein, vrolijk, opgeruimd en levendig hondje. De snuit is middellang, de beharing lang, los en spiraalvormig gelokt, gelijkend op de vacht van een Mongoolse geit. Het hoofd wordt fier en hoog gedragen, de donkere ogen zijn levendig en vol expressie. 

HOOFD
in harmonie met het lichaam.  

SCHEDELGEDEELTE

Sche
del: eerder vlak aanvoelend, alhoewel het garnituur de schedel rond doet lijken. De schedel is langer dan de snuit.
Stop
: weinig afgetekend. 

SNUITGEDEELTE:
Neus
: afgerond, goed zwart, fijnkorrelig en glanzend.
Snuit
: mag niet dik of grof zijn, maar ook niet geknepen. De groef tussen de wenkbrauwbogen is iets zichtbaar.
Lippen
: fijn, droog, minder nochtans dan bij het Schipperke, juist genoeg neervallend om de onderlip te bedekken, maar nooit zwaar of doorhangend; normaal zwart gepigmenteerd tot aan de mondhoeken; de onderlip mag niet zwaar of zichtbaar en ook niet zacht zijn, en mag bij gesloten bek de slijmvliezen niet laten zien. 
Kaken/tanden
: het gebit is normaal, wat betekent dat de snijtanden van de onderkaak zich onmiddellijk achter en tegen de punt bevinden van de snijtanden van de bovenkaak.
Wangen
: vlak en niet erg gespierd.
Ogen
: zo donker mogelijk, omrand door donkere oogleden, zijn eerder rond en niet amandelvormig; niet schuin geplaatst, levendig, niet te groot en laten geen oogwit zien; de ogen zijn niet groot of vooruitstekend zoals bij het Brussels Griffonnetje of de Pekingees; de oogkas mag niet naar voren uitsteken. De oogbol mag niet op een overdreven wijze uitspringen.
Oren
: hangen neer en zijn goed bedekt met fijn gekroesde lange haren; ze zijn wanneer de aandacht getrokken wordt eerder naar voren gedragen, maar op zo een manier dat de voorste rand de schedel raakt en er zich niet schuin naast bevindt; het oorkraakbeen moet niet zoals bij de Poedel kunnen reiken tot aan de neus, maar wel tot aan het midden van de snuit. De oren zijn overigens heel wat minder breed en fijner dan bij de Poedel.

HALS
tamelijk lang en wordt hoog en fier gedragen. Is dicht bij de schedel rond en fijn, geleidelijk verbredend om vloeiend in de schouders over te gaan. Zeer bij benadering is de halslengte één derde van de lichaamslengte (een verhouding van 11 tot 33 cm voor een hond met schofthoogte 27 cm), waarbij het bovenste gedeelte van de schouderbladen aan de schoft als basis worden genomen.

ROMP:
Lenden
: kort en goed breed, licht gewelfd.
Kruis
: licht afgerond.
Borst
: goed ontwikkeld, borstbeen goed uitkomend, de valse ribben goed gerond en niet bruusk eindigend, want de borst is in de breedte tamelijk ruim.   
Flanken:
tamelijk opgetrokken aan de buik; de huid is er dun en niet loshangend, wat een tamelijk windhondachtige indruk geeft.  

STAART
iets lager onder de ruglijn aangezet dan bij de Poedel. Normaal wordt de staart opgericht gedragen en sierlijk gebogen, in het vlak van de ruggengraat, zonder opgerold te zijn; wordt niet ingekort en mag niet tot op de rug reiken; de staartpluim nochtans mag op de rug vallen.      

LEDEMATEN

VOORSTE LEDEMATEN:
van voren gezien zijn de ledematen recht en met een goede stand; het beendergestel is fijn.
Schouder
: tamelijk schuin, niet uitstekend, even lang lijkend als de opperarm, namelijk ongeveer 10 cm.    
Opperarm
: niet van het lichaam afstaand.  
lleboog
: niet naar buiten gedraaid.
Voormiddenvoet
: van voren gezien kort en recht, van opzij gezien zeer licht gebogen. 

ACHTERSTE LEDEMATEN: 
het bekken is breed.
Dij
: breed en goed gespierd, goed schuin.  
Sprong
: in vergelijking met de Poedel meer gehoekt.  

VOETEN: 
stevig. Nagels bij voorkeur zwart, wat een moeilijk te bereiken ideaal is.

HUID
bij voorkeur donkere pigmentatie onder de witte vacht; de geslachtsorganen zijn dan zwart of blauwachtig of beige van tint.

VACHT

BEHARING
fijn, zijdeachtig, spiraalvormig, zeer los, gelijkend op de beharing van de Mongoolse geit, noch vlak, noch koordvormig, 7 tot 10 cm lang.
Toilet
:
de hond mag voorgebracht worden met het haar van de voeten en de snuit licht ingekort.

VACHTKLEUR:
zuiver wit.  

GROOTTE:
De schofthoogte mag niet meer bedragen dan 30 cm, want een kleine maat draagt bij tot het succes van het ras.

FOUTEN
elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.

  • Bovenvoorbijten of licht ondervoorbijten.
  • Vacht: vlak, gegolfd, koordvormig, te kort.
  • Uitbreiding van de pigmentatie in de vacht, met vorming van rosse vlekken. 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN :

  • Roze neus.
  • Vleeskleurige lippen.
  • Zodanig uitgesproken boven- of ondervoorbijten, dat de snijtanden elkaar niet meer raken.
  • Bleke ogen.
  • Opgerolde en schroefvormige staart.
  • Zwarte vlekken in de vacht.  

N.B. : De reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn  ingedaald.

Sitemap
Before you exit