Continentale Dwergspaniel 
(Epagneul Nain Continental)
FCI - Standaard  N° 77  -  06.04.1998


Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet

LAND VAN HERKOMST: Frankrijk en België.

PUBLICATIEDATUM VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD: 17.09.1990.

GEBRUIK: gezelschapshond.

GROEPSINDELING F.C.I.: Groep 9: Gezelschapshonden.
                                              
Sectie 9: Continentale Dwergspaniels.  Zonder werkproef.

ALGEMEEN VOORKOMEN:
kleine luxespaniel, met normale en harmonische lichaamsbouw, langharig, met matig lange snuit die korter is dan de schedel, een vinnige verschijning, gracieus en toch robuust, fier van houding en met een vlotte en elegante gang. Het lichaam ie iets langer dan hoog. 

HOOFD
in harmonie met het lichaam en in verhouding ook fijner en korter dan bij de grote en middelgrote Spaniels.

SCHEDELGEDEELTE:
Schedel: van terzijde of van voren gezien niet te veel afgerond, soms met een lichte aanduiding van een voorhoofdsgroeve.    
Stop
: inzinking duidelijk afgetekend. Bij de zwaardere honden is deze inzinking minder, maar toch waarneembaar; bij de kleinere honden is ze duidelijk gemarkeerd, maar zonder een plotse breuk te vertonen.

SNUITGEDEELTE:
Neus
: klein, zwart, afgerond, maar aan de bovenzijde licht afgeplat.  
Snuit
: korter dan de schedel, fijn en puntig, spits toelopend en aan de zijkant niet te veel uitgehold; mag niet opwippen.    
Neusrug:
recht.
Lippen
: sterk gepigmenteerd, dun en aangesloten.
Kaken/tanden:
tamelijk krachtig gebit; normale, goed sluitende beet.   
Tong:
mag niet zichtbaar zijn; voortdurend uitsteken of  niet ingetrokken blijven wanneer met de vinger aangeraakt, is een fout.
Ogen
: tamelijk groot, goed geopend, van een zeer grote amandelvorm, niet uitpuilend, tamelijk diep in het hoofd geplaatst, de binnenhoek van de ogen gelegen op de overgang van de schedel naar de snuit. Donker van kleur en zeer expressief; oogleden sterk gepigmenteerd.  
Oren
: het weefsel tamelijk fijn maar stevig. Wanneer men met de hand zowel het schuine als het hangende oor betast, mag het kraakbeen niet in een te scherpe punt eindigen. De oren zijn tamelijk naar achteren op het hoofd ingeplant en voldoende uit elkaar om de licht afgeronde vorm van de schedel te laten uitkomen.

·        Variëteit met hangoren, NACHTVLINDERHONDJE (Phalène) genoemd.

In rust zijn de oren hoog ingeplant, duidelijk hoger dan de lijn der ogen, hangend gedragen maar toch zeer beweeglijk. Ze zijn bedekt met golvende haren, die zeer lang kunnen zijn, wat de hond een schattig uiterlijk verleent.

·        Variëteit met rechtopstaande oren, VLINDERHONDJE (Papillon) genoemd.

De oren zijn hoog aangezet, de oorschelpen goed geopend en naar buiten gekeerd;
de binnenrand van de oorschelpen vormt een hoek van nagenoeg 45° met een       horizontale lijn. In geen geval mogen de oren recht omhoog gericht zijn, dit doet denken aan Keeshondenoren en is absoluut verwerpelijk. De oorschelpen zijn binnenin bekleed met fijne, eveneens golvende haren, waarvan de langste iets buiten de oorrand uitsteken. De buitenkant daarentegen is bekleed met lange haren die neerhangende franjes vormen die ver buiten de oorranden uitsteken.

Kruisen van de twee variëteiten geeft dikwijls hondjes met halfstaande oren, waarvan de punt neerhangt; deze gemengde vorm van oordracht is een zware fout.

HALS
middellang, nek iets gewelfd.

ROMP:
Bovenbelijning
: niet te kort, niet te gewelfd, niet doorzakkend, maar ook niet vlak.
Lenden
: stevig, licht gewelfd. 
Borst
: breed, tamelijk diep. De borstomvang, gemeten tussen de twee laatste ribben, moet duidelijk gelijk zijn aan de schofthoogte. De ribben zijn goed gewelfd.       
Buik:
een weinig opgetrokken.

STAART
tamelijk hoog aangezet, eerder lang, met veel franjes, een mooie pluim vormend. Wanneer de hond opmerkzaam is wordt de staart omhoog en gebogen gedragen, in een zelfde vlak met de ruggengraat, waarbij de uiterste punt de rug mag raken; de staart mag nooit opgerold zijn of vlak tegen de rug aanliggen.        

LEDEMATEN: 
Recht, stevig, tamelijk fijn. De hond mag niet hoogbenig lijken. Van voren en van achteren gezien staan de ledematen evenwijdig. 

VOORSTE LEDEMATEN:
Schouder
: goed ontwikkeld, goed tegen de romp aanliggend.  
Opperarm
: even lang als de schouder; met de schouder een normale hoek vormend; goed tegen de romp aanliggend
Pols
: in profiel niet te onderscheiden.

ACHTERSTE LEDEMATEN:
Sprong
: normaal gehoekt.   

VOETEN: 
tamelijk lang, zogenaamde hazenvoeten, recht op de zolen rustend. Sterke nagels, bij voorkeur zwart, lichter van kleur bij honden met bruine of witte vacht (witte nagels bij witte honden of honden met witte pootjes is geen fout, mits een overigens goede pigmentatie). De tenen zijn pezig, met stevige kussens. Tussen de tenen goed voorzien van fijne haren, die aan het uiteinde van de voet uitsteken en een punt vormen. 

GANGWERK: fier, vrij, vlot en elegant.   

VACHT

VACHTSOORT: de vacht, zonder onderwol, is overvloedig, glanzend, gegolfd (niet te verwarren met gekruld), niet zacht, maar eerder iets stevig, met zijdeachtige glans. Het haar is vlak ingeplant; het is op zichzelf tamelijk fijn, door de golving wat omgebogen. De vacht lijkt enigszins op deze van de Engelse Dwergspaniels, maar is duidelijk verschillend van de Pekingezen; anderzijds mag er helemaal geen gelijkenis zijn met de beharing van de Keeshond. Het haar is kort op het gezicht, de snuit, aan de voorzijde van de benen en onder de sprongen. Middellang haar op het lichaam, langer wordend rond de hals, waar een kraag gevormd wordt en een borstveer met golvend haar dat reikt tot op de borst; er worden franjes gevormd aan de oren en achteraan de voorbenen; achteraan de dijen vormen de tentoongespreide soepele haarvlokken een wijde broek. Tussen de tenen kunnen er dunne haarplukjes zijn die iets uitsteken en de voeten niet mogen verzwaren, maar deze integendeel verfijnen door ze  langer te maken. Als indicatie: bij sommige honden met een goede vachtconditie bedraagt de haarlengte op de schoft 7,5 cm en bedraagt de lengte van de franjes op de staart 15 cm. 

VACHTKLEUR: alle kleuren op een witte grondkleur zijn toegelaten. Op het lichaam en de ledematen moet het wit de andere kleuren overheersen. Op het hoofd is wit gewenst dat zich verder uitstrekt in een min of meer brede bles. Een witte aftekening is toegelaten op het voorste gedeelte van het hoofd, maar overheersend wit op het hoofd is een fout. De lippen, de oogleden en vooral de neusspiegel moeten in ieder geval gepigmenteerd zijn.

GROOTTE EN GEWICHT:
Schofthoogte
: ongeveer 28 cm.
Gewicht
: twee categorieën: 
1. Onder 2,5 kg voor reuen en teven.
2. Van 2,5 tot 4,5 kg bij de reuen,
    Van 2,5 tor 5 kg bij de teven.    
Minste gewicht: 1,5 kg.

FOUTEN:
elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
·       
Vlakke schedel, appelvormig en bol zoals bij de Engelse Dwergspaniels.
·       
Te veel of te weinig geaccentueerde stop.
·       
Niet-zwarte neusspiegel.
·       
Ramsneus of concave neusrug.
·       
Gedepigmenteerde lippen.
·       
Bovenvoorbijten en vooral ondervoorbijten.
·       
Ogen klein, te rond; uitpuilend; te licht van kleur; oogwit zichtbaar wanneer de hond naar voren kijkt.
·       
 Gedepigmenteerde oogranden.
·       
Karper- of zadelrug.
·       
Staart opgerold, op de rug liggend, zijwaarts neerhangend (het betreft hier het benig gedeelte, niet de franjes, die door hun lengte in lokken afhangen).
·        Gebogen voorste ledematen. 
·       
Knobbelige polsen. 
·       
Zwakke achterhand.
·       
Achterste ledematen die, van achteren gezien, aan de knieën, de sprongen en de voeten, van de loodlijn afwijken.
·       
Een enkele of dubbele wolfsklauw aan de achterbenen is ongewenst en een schoonheidsfout. Wegnemen wordt aangeraden.
·       
Voeten naar binnen of naar buiten gekeerd.
·       
Nagels die de grond niet raken.
·       
Vacht onvoldoende, zacht of opgeblazen; recht ingeplant haar of rechtopstaand haar; wolachtige vacht; ondervacht die wijst op een kruising met een Keeshond.

D
ISKWALIFICERENDE FOUTEN:

  • Roze of gevlekte neusspiegel.
  • Bovenvoorbijten of ondervoorbijten waarbij de snijtanden elkaar niet raken.
  • Een verlamde of steeds zichtbare tong

N.B. : De reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Sitemap
Before you exit