|
Nederlandse
tekst: Dr. R. Pollet
LAND
VAN HERKOMST
: België.
PUBLICATIEDATUM
VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD
: 25.10.2000.
GEBRUIK
:
oorspronkelijk een echte koehond, gewend aan de openlucht en het ruige
werk van het verzamelen, het hoeden en het drijven van het vee. Heden
nog is de Ardense Koehond, in een minimum van formaat voor een maximum
van efficiëntie, een diensthond in het algemeen en vooral een bewaker
van de kudden en van huis en erf.
GROEPSINDELING
F.C.I.
:
Groep 1: Herders- en
veedrijvershonden (behalve Zwitserse veedrijvershonden)
Sectie 2: Veedrijvershonden (behalve
Zwitserse veedrijvershonden)
Met werkproef.
KORTE
GESCHIEDENIS VAN HET RAS :
In de Belgische Ardennen werd de Ardense Koehond altijd al “chien de
vache” (koehond) genoemd en geselecteerd op basis van zijn
capaciteiten. Eerder dan aan zijn uiterlijk dankt hij zijn naam aan de praktijk van het hoeden en drijven van
runderen en aan de streek van de uitoefening van zijn taken. Het ruwe
klimaat, het lastige en specifieke ‘labeur’, het heuvelachtig reliëf
en de armoede van de streek hebben het type geboetseerd.
Alleen de meest rustieke en de best presterenden van een opzettelijk
beperkt gehouden fokproductie bleven in leven om de kudden te drijven,
meestal melkkoeien en schapen, maar in de 19e eeuw ook
varkens en paarden.
Vanaf de 19e eeuw werd hij ingezet voor de drijfjacht op
herten en everzwijnen, en gedurende de twee wereldoorlogen werd hij de
hond van de wildstroper.
Op het einde van de 19e eeuw gelijkt de koehond op een
ruwharige herder, maar hij is wel krachtiger, forser en bijtlustiger.
Met als doel het onderzoeken en het vastleggen van uiterlijke
gelijkenissen worden dan op de Belgische tentoonstellingen klassen voor
koehonden opengesteld.
Het is op 27 april 1903, op de tentoonstelling van Luik, dat Professor
Reul “Tom” ontdekt, de eerste hond die beantwoordt aan het ideale
koehondtype (destijds zonder nadere beschrijving).
In 1903 wordt de “Sociéte liégeoise pour l’amélioration du chien
de bouvier de la province de Liège et des Ardennes” opgericht. Deze
maatschappij stelt een ontwerptekst
van een standaard op. De definitieve tekst wordt door België
goedgekeurd in 1923 en door de F.C.I. gepubliceerd op 16 juni 1963.
Het aantal gebruikte honden vermindert echter aanzienlijk door het
verdwijnen van talrijke Ardense hoeven en daarenboven nog het zeldzamer
worden van de kudden melkvee.
Rond 1985 ontdekken dan hondenliefhebbers, wanneer ze colostrum bij de
kudden melkvee ophalen, enkele overlevende, min of meer typische Ardense
Koehonden. Rond 1990 leggen zich fokkers toe op het voortbrengen van
honden die beter beantwoorden aan het in de standaard beschreven type,
waarbij ze vertrekken van deze bloedlijnen uit de Ardennen.
Paradoxalerwijs is het in het noorden van het land dat enkele
veedrijvers en herders, die opgetogen waren over de prestaties van deze
honden bij het drijven van de kudden, op discrete wijze maar met zorg en
met kennis van zaken Ardense Koehonden hebben gefokt uit een rond 1930
overgebrachte stam. Pas in 1996 heeft de officiële hondenliefhebberij
deze foklijn ontdekt.
ALGEMEEN
VOORKOMEN:
een middelgrote, geblokte ruigaard, zonder enige aanspraak op elegantie.
Hij is kort en gedrongen, met een zwaarder beendergestel dan zijn omvang
laat vermoeden en een krachtig hoofd.
De bepalingen kort, compact en gespierd zijn het best geschikt om hem te
beschrijven. Zijn ruw en warrelig haar (behalve op de schedel, waar het
korter en vlak is), zijn snor en zijn baardje, verlenen hem een nors
voorkomen. De Ardense Koehond zal in stand in zijn natuurlijke houding
gekeurd worden, zonder fysiek contact met de voorbrenger.
BELANGRIJKE
VERHOUDINGEN:
- De
lichaamslengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is
ongeveer gelijk aan de schofthoogte.
- De
borstdiepte is om en nabij de helft van de schofthoogte.
- Het
hoofd is eerder kort en de snuit is duidelijk korter dan de schedel,
die zelf iets langer dan breed is.
GEDRAG
/ KARAKTER:
de Ardense Koehond geeft blijk van veel uithoudingsvermogen en energie.
Hij is opgeruimd, nieuwsgierig, lenig en sociabel. Zijn voornaamste
eigenschap is zijn aanpassingsvermogen, zodat hij zich onder alle
omstandigheden op zijn gemak voelt.
Hij is hardnekkig en uiterst moedig bij het verdedigen van zijn gezin,
zijn bezit en zijn territorium.
HOOFD:
krachtig, eerder kort.
SCHEDELGEDEELTE:
breed en vlak, de bovenlijn evenwijdig aan die van de snuit. De
middengroeve en de achterhoofdskam zijn nagenoeg onzichtbaar. De
wenkbrauwbogen worden door de borstelige wenkbrauwen geaccentueerd. De
jukbeenderen noch uitstekend, noch sterk gebogen.
Stop:
afgetekend, maar zonder overdrijving.
SNUITGEDEELTE:
Neus:
breed, altijd zwart.
Snuit:
breed, zwaar en goed opgevuld onder de ogen, duidelijk korter dan de
schedel, bedekt met opstaande haren die de binnenhoek van het oog
bedekken. De zijden van de snuit en de wangen liggen in elkaars
verlengde.
Lippen:
dun, aangesloten, de randen altijd zwart. De mondhoek niet hangend. De
boven- en de onderlippen, de onderkaak en de kin zijn bedekt met haren
van 5 tot 6 cm, die een snor en een baardje vormen.
Kaken/tanden:
De kaken zijn krachtig. Het gebit is volledig en beantwoordt aan de
tandformule. Het ontbreken van twee premolaren 1 (2 P1) wordt geduld en
de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen. De snijtanden van
het “schaargebit” zijn regelmatig ingeplant in de vorm van een goed
geopende boog. Een “tanggebit” zonder verlies van contact wordt
aanvaard, maar heeft niet de voorkeur. De mondholte moet zo
gepigmenteerd mogelijk zijn.
Wangen:
goed vlak, maar gespierd.
Ogen:
middelmatig groot, niet te wijd uit elkaar, licht ovaal, nooit bolrond
of uitpuilend, zo donker mogelijk. De oogleden zijn zwart omrand en de
bindvliezen mogen niet zichtbaar zijn.
Oren:
Niet gecoupeerd. Zijn hoog aangezet, duidelijk driehoekig, eerder klein.
Wanneer neergeslagen mag de oorpunt niet verder reiken dan de buitenhoek
van de ogen. Strakke, rechtopstaande en spitse oren hebben de voorkeur.
Eveneens toegelaten zijn staande oren, met de punt naar voren vallend,
of halfstaande, naar buiten geplooide oren.
HALS:
krachtig, gespierd, goed
uitkomend, eerder cilindrisch, licht gewelfd, voldoende rechtop, zonder
keelhuid.
ROMP:
krachtig, zonder plompheid, de ribben eerder rond dan vlak. De lengte,
vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de
schofthoogte. De flanken zijn erg kort.
Bovenbelijning:
horizontaal, breed, krachtig en strak.
Schoft:
licht uitkomend.
Rug:
gespierd en goed vast, soepel zonder schijn van zwakte.
Lenden:
kort, goed breed, gespierd, in dwarsrichting tamelijk vlak.
Kruis:
breed, zeer licht hellend of bij voorkeur horizontaal.
Borst:
breed, diepte tot aan de ellebogen, de ribben goed gewelfd, vooral in
hun bovenste derde. Het onderste gedeelte van de borst moet in
dwarsrichting een zekere ronding vertonen. Van voren gezien is de
voorborst tamelijk breed.
Onderbelijning:
de tamelijk gevulde buik is een weinig opgetrokken.
STAART:
de grote meerderheid wordt met een korte staart geboren en een
behoorlijk aantal staartloos. De staart is dik en hoog aangezet.
Korte
staart: in het verlengde van de bovenbelijning.
Een natuurlijke of gave staart is toegelaten in landen waar caudectomie
verboden is.
LEDEMATEN
VOORSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld:
stevig beendergestel. De voorbenen zijn zeer gespierd, van alle zijden
gezien loodrecht en in vooraanzicht goed evenwijdig.
Schouder: middelmatig lang en schuin, met zwaar
spierstelsel. Het schouderblad vormt met het opperarmbeen een hoek van
ongeveer 110 graden.
Opperarm: lang en zeer gespierd.
Elleboog: vast, noch afstaand, noch aangedrukt.
Onderarm: recht en sterk.
Pols: stevig en duidelijk afgetekend, laag bij de
grond.
Voormiddenvoet: sterk, kort en zeer weinig hellend.
Voorvoet: rond, goed gesloten; tenen gewelfd;
voetzolen donker, dik en elastisch; nagels donker en stevig.
ACHTERSTE
LEDEMATEN:
Totaalbeeld: krachtig, gespierd, middelmatig gehoekt,
van achteren gezien goed evenwijdig. In stand moet in zijaanzicht de
achtervoet zich bevinden juist achter een verticale lijn vanuit het
zitbeenpunt.
Dij: sterk gespierd en goed gevleesd.
Onderschenkel: matig lang, goed gespierd.
Sprong: laag bij de grond, breed en pezig.
Achtermiddenvoet: in zijaanzicht weinig hellend.
Zonder wolfsklauwen.
Achtervoet: zoals voorvoet.
GANGWERK:
de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam, dat
in de richting van de voortbeweging blijft. De snelle en vlotte pas en
de levendige draf zijn de gewone gangen. De Ardense Koehond is niet in
de eerste plaats een galopeur, maar hij is in staat om in volle beweging
van richting te veranderen, bij eender welke gang of snelheid. Bij het
draven is er een goede tredwijdte, met een regelmatige beweging en een
uitstekende stuwing van de achterbenen, waarbij de bovenbelijning goed
strak en stevig blijft. Mag niet in telgang gaan. De Ardense Koehond is
actief en blijft weinig ter plaatse. Door zijn aanleg om de kudden te
drijven loopt hij, wanneer in vrijheid, dikwijls in halve cirkels achter
zijn meester aan.
HUID:
goed strak, zonder plooien te
vormen, maar soepel. De randen van de oogleden en de lippen zijn altijd
sterk gepigmenteerd.
VACHT
VACHTSOORT:
de vacht moet het hem mogelijk maken om in de openlucht te leven en de
kudden te hoeden en te drijven, welke ook de soms extreme
weersomstandigheden zijn van zijn streek van herkomst.
Het dekhaar moet droog zijn, ruig en warrelig, ongeveer 6 cm lang over
het hele lichaam, maar korter en vlakker op de schedel, met aanwezigheid
nochtans van wenkbrauwen. Het haar moet een snor en een baardje vormen
van ongeveer 5 tot 6 cm lang en moet de binnenhoek van de ogen verbergen.
De onderarmen zijn bedekt met korter, maar droog haar, dat wat verward
is, waardoor ze er cilindervormig uitzien, met korte franjes op de
achterzijde. De dijen zijn achteraan bekleed met langer haar dat de
broek vormt. De buitenzijde van de oren is bedekt met korte, zachte en
rechte haren, met schaarse, langere haren hier en daar verspreid. De
gehoorgang is beschermd door lange haren, die niet te onderscheiden zijn
van de beharing van de halskraag, die bestaat uit naar achteren gerichte
haren rond de keel. De ruimte tussen de zoolkussens is bedekt met zeer
kort haar.
Het tijdens ieder jaargetijde zeer dichte en in de winter nog
overvloediger onderhaar biedt de
hond een goede bescherming tegen de wisselvalligheden van het weer. Ook
op de ledematen is onderhaar aanwezig. Het onderhaar is ongeveer half zo
lang als het dekhaar.
VACHTKLEUR:
alle kleuren zijn toegelaten, behalve wit; de kleur van de ondervacht
varieert naargelang de kleur van de bovenvacht. Een witte aftekening op
de voorborst of witte teentoppen zijn toegelaten, maar niet gewenst. De
vacht bestaat dikwijls uit dooreengemengde grijze, zwarte en vaalrosse
haren; grijze vacht, gaande van licht- tot donkergrijs; bruine, rosse of
strogele vacht.
GROOTTE
EN GEWICHT:
Schofthoogte:
reuen 56-62 cm, teven 52-56 cm. Tolerantie: plus of min 1 cm.
Gewicht:
reuen 28-35 kg, teven 22-28 kg.
FOUTEN:
elke afwijking van het
bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt
naargelang de ernst ervan.
Algemeen
voorkomen:
te zwaar, te elegant, te hoogbenig.
Hoofd:
slechte verhoudingen, gebrek aan parallellisme, te fijne snuit, geen of
overdreven garnituur, ramsneus, te gemarkeerde of vlakke stop, te ronde
schedel.
Gebit:
snijtanden slecht geplaatst. Ontbreken van één snijtand (1 I), één
premolaar 2 (1 P2) of één premolaar 3 (1 P3).
Ogen:
lichte kleur, rond, bolrond, diepliggend.
Oren:
te brede aanzet, laag ingeplant, afgeronde punten; divergent of
convergent wanneer staande oren.
Hals:
tenger, lang, diepliggend (in de schouders).
Bovenbelijning:
rug en/of lendenen lang of smal, zwak, doorgezakt of gewelfd.
Borst:
onvoldoende diep, onderborst zonder enige dwarse ronding, voorborst te
smal.
Staart:
te laag aangezet, te hoog gedragen, tussen de benen ingetrokken, een
haak vormend, afbuigend.
Gangwerk:
nauwe beweging, te weinig stuwing, te korte paslengte, omhoog gooien van
voorbenen (steppen).
Vacht:
onvoldoende ruig, vlak aanliggend, garnituur van hoofd te kort of te
overvloedig, te lange beharing op de schedel, ledematen te veel of te
weinig behaard, franjes op een lange staart. Ondervacht niet voldoende
dicht, te kort of te lang.
Kleur:
te uitgebreid wit op de voorborst of de voeten.
Karakter:
schuchterheid, lusteloosheid.
DISKWALIFICERENDE
FOUTEN:
Karakter:
agressief of angstig.
Algemeen
voorkomen:
gebrek aan type.
Neus,
lippen, oogleden:
gedepigmenteerd.
Gebit:
bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd
schaargebit); kruisgebit; ontbreken van een scheurkies boven (1 P4) of
onder (1 M1), van een molaar (1 M1 of 1 M2, behalve M3), van een
premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of van in totaal drie tanden of
meer.
Ogen:
gele kleur, glasogen, verwilderde blik.
Oren:
gecoupeerd of plakoren.
Staart:
rechtop gedragen of opgerold.
Vacht:
eender welk toilet; beharing lang of glad, recht of gekruld, wollig of
zijdeachtig; ofwel ontbrekende, ofwel overdreven hoofdgarnituur, dat de
ogen volledig bedekt of de vorm van het hoofd verbergt; afwezigheid van
ondervacht.
Kleur:
witte vacht of wit elders dan op de voorborst en de tenen.
Schofthoogte:
buiten de opgelegde grenzen.
N.B.
: De
reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum
zijn ingedaald.
|