|
|
|
|
| Genetica |
|
|
|||||||||
|
Voorwoord
|
|||||||||
|
Een van de eerste genetische studies over
kleurovererving bij honden werd uitgewerkt door Clarence Little. Aan het
laboratorium van Jackson, deed hij onderzoek bij 28 rassen door niet
minder dan 4100 jonge honden te fokken. In 1957 publiceerde hij „The
inheritance of coat color in dogs“. Ook andere studies en boeken
werden uitgegeven over dit onderwerp (O. Winge in 1950, Burns &
Fraser in 1966, Robinson in 1982, Prof. B. Dennis in 1997).
Gebaseerd op de studies van Little, publiceerden C. Burnez en
dokter-dierenarts Yves Surget in 1972, de eerste artikelen gewijd aan de
kleurovererving bij de Belgische Herder in het tijdschrift van de Franse
Club. Vandaag vormen de studies van Little
het onderwerp van discussies in de onderzoekswereld. De ordening van de
genen zoals hij die had voorgesteld, stemt niet overeen met de recente
ontdekkingen in de moleculaire biologie. Deze samenvatting houdt
rekening met de resultaten van de meest recente onderzoeken die aan de
Universiteit van Stanford in de Verenigde Staten en de Universiteit van
Saskatchewan (Sheila Schmutz) in Canada worden uitgevoerd. Deze studie, een nieuwe stap naar een
betere kennis van kleurovererving, vervangt het gelijkaardige werk dat
in boekformaat werd gepubliceerd in februari 2003. Nieuwe ontdekkingen
zullen zich in de toekomst nog voordoen want de moleculaire biologie is
een wetenschap in volle ontwikkeling. Dit werk is niet alleen bestemd
voor fokkers maar ook voor alle liefhebbers van de Belgische Herder die
de genetische verschijnselen van kleurovererving willen begrijpen en
verklaren. De genetica van de kleuren is ook een
interessant om andere, meer complexe genetische aspecten van de hond aan
te kaarten. Een ernstige en verantwoordelijke fokker van Belgische
Herders selecteert, in volgorde, op vorm, karakter en geschiktheid om te
werken. Het verwaarlozen van deze onontbeerlijke criteria leidt
rechtstreeks tot het wijzigen van de raseigenheid. Ik dank in het bijzonder Mara Lee Jiles
die mij, gedurende vele jaren, tal van informatie en kostbare adviezen
op dit gebied heeft bezorgd. Brakel, maart 2007
|
|||||||||
|
Inleiding:
Melanocyten. Hoe
komt de kleur van huid, haar of iris tot stand ? De kleur wordt bepaald
door een pigment genaamd melanine en wordt aangemaakt door
gespecialiseerde cellen: de melanocyten. Welke kleur tevoorschijn
komt, is afhankelijk van de geproduceerde hoeveelheid melanine en van de
plaatsing van de pigmenten. Het verbleken van de kleuren, ook verdunning
genoemd, is meestal te wijten aan een vermindering in melanocyten of aan
hun geringe activiteit. Indien er geen melanocyten aanwezig zijn of
indien ze niet werken, is de huid en het haar wit en zijn de ogen rood
omwille van de aanwezigheid van bloedvaten. Melanocyten beschermen het
lichaam tegen zonnestralen en absorberen het licht. Ook hormonale
invloeden kunnen kleurveranderingen veroorzaken. De
melanocyten scheiden twee soorten melanines af: a)
ofwel het donkere pigment eumelanine -
eivormige
korrels eumelanine geven een zwarte kleur
-
kleinere
bolvormige korrels eumelanine geven een donkerbruine kleur. b)
ofwel het lichte pigment pheomelanine, We
kunnen dus besluiten dat alle vachten worden gekleurd door eumelanine of
pheomelanine, of door een combinatie van de twee. Eventueel wit haar
betekent de afwezigheid van kleur.
Belangrijk
om te weten is dat dezelfde genen verschillende effecten kunnen hebben
naargelang de haartextuur (glad haar of ruw haar) en de lengte van het
haar (kort haar of lang haar). De
genen van de vachtkleuren De
plaats van de genen op de chromosomen wordt locus genoemd. Voor elke
locus, is er een reeks van twee of meerdere allelen. In het geval van
een reeks van meer dan twee allelen, zullen slechts twee allelen van de
reeks aanwezig zijn op het locus niveau.
Er
zijn iets meer dan tien kleurloci geregistreerd bij de hond, net zoals
bij andere zoogdieren. Een locus wordt aangegeven door een hoofdletter,
nl. de eerste letter van het Engelse woord dat het meest precies hun
effect omschrijft. Om
praktische redenen bestuderen we hier niet de genen die geen invloed
hebben op de kleurovererving bij de Belgische Herders en het Schipperke.
Het gaat om de volgende genen: ‘G’ (
incremental Greying: vergrijzing bij het ouder worden) Nog enkele termen verklaard : Dominant
allel Recessief
allel Wanneer
in een nest van ouders met dominante allelen een puppy met recessieve
allelen verschijnt (b.v. een vaalrosse puppy afkomstig van twee
zwartharige ouders) zijn zowel de genen van de vader als die van de
moeder hiervoor verantwoordelijk. "Als
de zwarte Groenendaeler reu Kisch-Kisch, signaleert Auguste Caspers,
zoveel keren een vaalrosse Tervuerense puppy heeft voortgebracht, kan
dit enkel betekenen dat de teef in kwestie ook drager was van het
vaalrosse recessieve allel die door het zwarte dominante allel verborgen
was." |
|||||||||
|
A. De genen die de basiskleuren bepalen.
Dit
eerste deel analyseert de drie belangrijke genen of loci die de
verdeling van de pigmenten controleren en zo een vachtpatroon (pattern)
tot stand brengen. a)
de
locus A (Agouti) De
locus A dankt zijn naam aan het woord Agouti. Dit is een klein knaagdier
waarvan de vacht gestreept is (bestaat afwisselend uit gele en zwarte
strepen). Dit locus heeft twee kenmerken. Allereerst laat het de
synthese toe van beide kleurpigmenten op hetzelfde haar ("pigment
type-switching"). Vervolgens controleert hij de verdeling van de
pigmenten in functie van de delen van het lichaam. De buik en broek zijn
over het algemeen duidelijk van rosse haren voorzien die door
“ventraal specifieke isoformen” worden veroorzaakt. Wanneer de
vachtkleur gelijkmatig wordt verspreid over het hele lichaam, wordt ze
gekwalificeerd als effen agouti (Engels: solid agouti). Little had het zwarte dominant allel in de reeks agouti geplaatst. Onlangs hebben genetici van de Universiteit van Stanford in de Verenigde Staten en van de Universiteit van Saskatchewan in Canada, op basis van DNA tests bij een groot aantal honden van verschillende rassen, (Journal of Heredity/2003/Volume 94) de verbanning uit de reeks agouti van het dominante zwarte allel As naar een nieuwe reeks allelen bevestigd. Deze nieuwe reeks wordt voorlopig K genoemd. Dit dominante zwarte allel As bestaat niet bij de andere zoogdieren. Rekening houdend met deze nieuwe indeling, zijn dit de allelen van de reeks agouti in de volgorde van dominantie.
·
het
allel at (tan
punten = rosse punten)
De intensiteit van pheomelanine kan variëren. Zo varieert de rosse kleur van onze Belgische Herders van lichtgeel tot warm vaalros. Dit kan niet uitgelegd worden door het bestuderen van de kleurallelen. Het zijn wijzigende polygenen, “rufus” genaamd, die de intensiteit van de vaalrosse kleur bepalen. Deze polygenen hebben elk afzonderlijk een geringe impact, maar hun samengebundelde krachten kunnen een versterkend (plus) of verzwakkend (min) effect hebben al naar gelang ze de hoeveelheid pigment verhogen of verminderen. Hoe meer polygenen een hond bezit, hoe donkerder zijn vachtkleur zal zijn.
(foto’s uit het boekje van de S.C.C. «Les robes de couleurs
chez le chien») Gevlamde vachten zijn zeer verspreid bij honden en kennen een grote verscheidenheid. De uitersten gaan van enkele zwarte sporen aan de oren tot een sterk gevlamde vacht over het hele lichaam waarbij enkel een gedetailleerd onderzoek het bestaan van lichte zones aantoont op het merendeel van de haren. Het gevlamd (charbonné) van de Belgische herders heeft een gemiddelde sterkte met noch te veel noch te weinig charbonné. Bij de ruwhaar is de charbonné veel discreter met sporen op de voorsnuit, de oren en de staart. Deze
schaduw varianten worden toegekend aan de “umbrous“ polygenen.
Deze wijzigende polygenen beïnvloeden de dichtheid en de omvang van het
charbonné en ook de verspreiding van het masker of de strepen van de
gestroomde vachten. De paring van licht gevlamde honden met sterk
gevlamde honden geeft, over het algemeen, intermediaire resultaten, die
duidelijk laat veronderstellen dat de overdracht van deze genen afhangt
van de wetten van de kwantitatieve erfelijkheid. Voor de fokker betekent
dit dat het vastleggen van een kleurnuance of de homogeniteit van een
verlangde kleur, een lange selectie vereist. Dit soort selectie is
absoluut te vermijden als het ten koste gaat van de andere
karaktertrekken die een Belgische Herder bepalen.
|
|||||||||
|
b)
de
locus K
(K – laatste letter van Black) (dominant zwart)
Dit zijn de drie allelen van deze reeks : ·
het
allel KB ·
het
allel kbr (brindle
= gestroomd) ·
het
allel ky
Raksha der Bastaarden, gestroomde langhaar, (zie
foto hierboven), was afkomstig uit Groenendaeler ouders (Ravachol x Mirz)
(Cultura 1919, bladzijde 270). De
paring van twee Groenendaelers die elk
een allel kbr
bezitten, verwekt drie types Groenendaelers:
Samengevat
:
KBKB of KBkbr of
KBky
produceert zwart dominant Vandaag is de gestroomde uit het genetische erfdeel van de Belgische Herder verdwenen. Omdat ze een gemeenschappelijke oorsprong hebben met onze herders, vindt men de gestroomde terug bij de Hollandse Herder in de drie verschillende haarvariëteiten (kort, lang en ruw) verdeeld over goud gestroomd (vaalros gestroomd) en zilver gestroomd (zandkleurig gestroomd).
|
|||||||||
|
c)
de locus E (Extension) De
allelen van de locus E beïnvloeden
de onderlinge verdeling van de zwarte en vaalrosse pigmenten in functie
van de zones van het lichaam. Recente onderzoeken hebben schijnbaar de
aanwezigheid van een allel voor het masker in de reeks E
bevestigd. ·
het
allel Em (masker) ·
het
allel E ·
het
allel e
|