Belgian Dogs  &  Malinois Worldwide

In  Memoriam

Jean Du Mont



Jean Du Mont zoals we hem hebben gekend.

    Alhoewel we er ons enigszins hadden aan verwacht was het toch een grote schok wanneer we vernamen dat Jean Du Mont ons had verlaten.Een hele tijd reeds was hij zeer ernstig ziek geweest, met hoogtes en laagtes, maar het bleek een ziekteverloop te zijn dat geen hoop op volledig herstel liet vermoeden.

    Jean was geboren te Antwerpen, op 25 mei 1926. Hij overleed in het Academisch Ziekenhuis van Jette op 29-4 2007. Zijn begrafenis had plaats op 4 mei in Groot-Bijgaarden. Hij was dus bijna 81 jaar oud. Dit betekent oud genoeg om door velen niet meer gekend te zijn geweest. Spijtig genoeg vinden we dat diegenen die hem wél hebben gekend toch niet altijd voldoende beseffen welke prominente rol hij heeft gespeeld in de Belgische kynologie.

 

 

 







We hebben Jean goed gekend en we beschouwen dit als een groot voorrecht. Met ‘goed gekend’ bedoelen we ‘in de hondenwereld’, niet in zijn professioneel of privé-leven. Dit is toch meestal zo onder hondenvrienden die heel erg door de kynologie worden opgeëist.

    Jean vertelde me dat zijn ouders Schipperkes hadden en dat wanneer hij nog maar vijf jaar oud was zijn speelkameraad een afgerichte Mechelaar was. Bij hem thuis hadden ze altijd Mechelaars en Tervuerens gehad. Zijn peter, een rasechte Brusselaar, maakte hem vertrouwd met Griffonnetjes en Brabandertjes, die toen deel uitmaakten van het Brusselse straatbeeld. Zijn peter zei hem dat dit de hondjes van de koetsiers en de ‘gardevils’ (politieagenten) waren.

 Jean Du Mont  (rechts) 
 (Foto Ronny Engelen)

    We hebben altijd een grote bewondering gehad voor Jean. We beschouwden hem als een ‘homo universalis’ in de kynologie. Deze term, de ‘universele mens’, stamt uit de tijd van de renaissance. Er werd mee bedoeld ‘iemand met een goed ontwikkeld atletisch lichaam, een scherp verstand en bekwaamheden op veel gebieden’. Moeten we nu bewijzen dat Jean aan deze omschrijving volledig beantwoordde? Waarom niet, we doen alvast een poging.

    Was Jean atletisch? Op het laatst van zijn leven was het natuurlijk moeilijk om aan te nemen dat hij ooit een amateur worstelaar was geweest, maar toch is dit de waarheid. Daarom doet het altijd zo een pijn als je iemand lichamelijk snel ziet achteruitgaan. Wat zijn scherp verstand betreft, daar moeten toch heel velen nog getuige van zijn geweest. Hij sprak niet alleen feilloos en accentloos Nederlands, Frans, Engels en Duits, maar daarenboven nog meerdere andere, minder courante talen. Als de gelegenheid zich voordeed kon hij met zwier zijn kennis van wel zeer vreemde talen demonstreren, wat velen die het ooit hebben aanhoord perplex deed opkijken. Wat zeer in het algemeen zijn bekwaamheden betreft willen we hier ook benadrukken dat hij door zijn inborst en charmant karakter altijd bemiddelend en  verzoenend optrad. Verder hield hij helemaal niet van dualiteiten, polarisaties of tegenstellingen. Dat er in de kynologie tegenstellingen bestaan die de goede samenwerking heel erg kunnen hinderen, dat weet iedereen. Jean echter trachtte iedereen, dag na dag, ervan te overtuigen dat tegenstellingen onproductief waren. Als voorbeelden van dualiteiten waar hij helemaal niet van hield kunnen we opsommen: ‘schoonheid / africhting’, ‘Nederlands / Frans’, ‘Maatschappij / Unie’ en ten slotte ‘theorie / praktijk’. Door onze vele goede herinneringen die we aan hem hebben, kunnen we zeer gemakkelijk aantonen hoezeer hij deze dualiteiten verafschuwde.   

Vooreerst de dualiteit ‘schoonheid / africhting’. Jean was een internationaal schoonheidskeurmeester. Hij was gekwalificeerd om alle Belgische rassen te keuren, een droom die hij lang had gekoesterd en ook heeft kunnen realiseren. In het begin van de vijftiger jaren had hij al Mechelaars en enkele Tervuerens en Bouviers gefokt. Als schoonheidskeurmeester was hij dan ook het eerst benoemd voor de Belgische Herders. In 1974 werd hij benoemd voor de Vlaamse Koehond. Om dit ras te mogen keuren had hij de steun gekregen van Justin Chastel. De kennelnaam van Jean was “van Sint Rombauts”, want tijdens de periode dat hij fokte had hij met zijn vrouw een kapperszaak gehad vlak tegenover de Mechelse Sint-Rombautskathedraal. Het fokken heeft hij moeten opgeven wanneer hij voor een multinational ging werken en veel in het buitenland verbleef. Later was hij ook,

hierbij aangemoedigd door Joseph Marchand om zich kandidaat te stellen, keurmeester geworden van alle Franse herdershonden. Hij keurde ook nog enkele andere rassen, waaronder de aan de ‘Belgen’ verwante Hollandse Herders. Betekent dit nu allemaal dat Jean niet hield van africhting of dat hij geen gekwalificeerde keurmeester was voor werkproeven? Deze vraag zou eigenlijk heel grappig moeten zijn! Niemand was er immers meer van overtuigd dat de werkcapaciteiten van de zogenoemde werkhondenrassen intact moesten bewaard en zelfs verbeterd worden. Zijn doel was altijd geweest te bewijzen dat, vertrekkend van goede tentoonstellingslijnen, ook zeer goede gebruikshonden konden worden gefokt. Vanaf het begin van de vijftiger jaren tot aan het einde van de zestiger jaren nam hij deel aan ringwedstrijden. Jean heeft met groot succes Mechelaars, Tervuerens en Bouviers afgericht. Reeds van in de zestiger jaren was hij keurmeester voor het Ringprogramma. Hij werd ook nog keurmeester voor ‘veldwerk speuren’ en ‘sociaal gedrag’. Vanzelfsprekend keurde hij ook de CQN-proef, die nu het programma ECU-WGH (Geschiktheidswerkproef voor Gebruikshonden) wordt genoemd. De CQN-proef ik zelf meerdere keren samen met Jean gekeurd. Voor Jean moesten honden die tot de zogenoemde werkhondenrassen behoorden in ieder geval schoonheid combineren met karakter en geschiktheid voor africhting.

    Wat de mogelijke tegenstelling op gebied van taal, ‘Nederlands / Frans’ of  anders uitgedrukt ‘Waal / Vlaming’ zou betreffen, moeten we weten dat Jean van geboorte een Antwerpenaar was, maar dat hij nochtans volledig opging in de Franse cultuur, want zijn vader was een Fransman. Om het beeld nog te vervolledigen kunnen we er aan toevoegen dat hij zich eigenlijk een Brusselaar voelde en niets liever deed, als de gelegenheid zich voordeed, dan ‘Brussels’ praten, als een echt ketje. Hij kon in ieder geval door zijn talrijke functies en zijn unieke persoonlijkheid een brug slaan tussen Noord en Zuid van ons kleine landje. Enkele van de talrijke bestuursfuncties die hij heeft uitgeoefend kunnen we hier dan ook vermelden. Wat de rasclubs betreft is hij is meer  dan 20 jaar lang, van 1974 tot 1994, algemeen secretaris geweest van de toenmalige ‘Belgische Vereniging van de Vlaanderse Veedrijver’ / ‘Club Belge du Bouvier des Flandres’, nu de ‘Belgische Club Belge du Bouvier des Flandres et des Ardennes’. Jean had een zeer grote bewondering voor Justin Chastel, destijds voorzitter van deze rasclub, die hij de ‘schepper’ noemde van de moderne Bouvier. Een even grote bewondering had hij voor Félix Verbanck, die zijn voorganger was in deze secretariaatsfunctie en die hij de ‘realisator’ noemde van de Bouvier. Keurmeesters van vroeger, die zijn leermeesters waren geweest en die hij ook zijn vrienden noemde, waren Georges Van Ceulebroeck, Joseph Marchand en Geo Tanghe.

    Wat nu de al of niet denkbeeldige dualiteit ‘Maatschappij – Unie’ betreft is enig inzicht nodig in de organisatie van de Belgische kynologie. Hierover bestaat wel wat literatuur, zodat we hierover niet moeten uitweiden. Het is wel overduidelijk dat Jean Du Mont zowel voor de Maatschappij als voor de Unie of de Vergadering der Afgevaardigden zeer belangrijk is geweest. Uiteraard weten we, maar dat is een ander verhaal, dat deze opsplitsing tussen de Maatschappij en de Unie organisatorisch gezien pure nonsens is en niet bestaat of zou mogen bestaan, maar niettemin toch wel enigszins ‘in de geesten’ bestaat. Wat nu de algemene bestuursfuncties betreft is het zeer belangrijk om weten dat Jean Du Mont ononderbroken, van 1975 tot aan zijn dood, beheerraadslid geweest is van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus. Wat de Vergadering der Afgevaardigden betreft was hij van 1972 tot 1974 adjunct-secretaris van de sectie 1 ‘Fok en Gebruik van politie-, waak en verdedigingshonden’. Later werd deze sectie opgesplitst en van 1974 tot en met 1996 was hij voorzitter van de sectie 1B ‘Gebruik van waak- en verdedigingshonden’. Zijn goede vriend Marcel Declercq was in die tijd secretaris van deze sectie. Dit alles toont voldoende aan hoe hij heeft geijverd om van de aspecten fokkerij, schoonheid en werkcapaciteiten een eenheid te maken in de hondensport. We mogen zelfs beweren dat voor hem de gebruikswaarde van de hond het belangrijkste was. We kunnen ook nog vermelden dat hij in het begin van de jaren vijftig meerdere jaren secretaris is geweest van de “Koninklijke Club de Vrije Liefhebbers” van Sint-Katelijne-Waver.

    De laatste dualiteit nu. Was hij een man van de theorie of van de praktijk? Laten we beginnen met de theorie. We zegden het reeds, hij was een ‘homo universalis caninus’, we fantaseren maar wat in het Latijn, in klare mensentaal bedoelen we een zeer veelzijdige hondenman. We denken nochtans dat zijn theoretische en zijn literatuurkennis wat honden betreft door velen niet echt zijn opgemerkt geweest. Als kynologisch publicist was hij veelzijdig. Zo heeft hij artikels gepubliceerd over de genetica bij honden. Artikels ook over de beharing, bij honden in het algemeen en meer bepaald bij de Belgische rassen, vooral dan de beharing bij de Bouviers van vroeger en van nu. De brochure over de Belgische rassen die werd uitgegeven door de Vergadering der Afgevaardigden van de Koninklijke Unie, dit ter gelegenheid van de Brussels World Dog Show 1995, was ook door hem geschreven. Jean liep hiermee allemaal niet te koop, want hij was daarvoor een te bescheiden man. Verder heeft hij de geschiedenis van tal van rassen grondig bestudeerd. Hij publiceerde ondermeer over de geschiedenis van de Bouvier en van de Belgische herders, vooral dan de Mechelaar, die zijn voorkeur wegdroeg als de topper onder de werkhonden. Verder is hij, raar maar waar, blijkbaar de enige kynoloog die ik ken die het oorspronkelijke monumentale standaardwerk “Der Deutsche Schäferhund in Wort und Bild” (meer dan 1000 bladzijden in Gotisch schrift) van Rittmeister Max von Stephanitz kritisch heeft gelezen en grondig bestudeerd. Wanneer we nu verwijzen naar zijn hoger vernoemde bestuursfuncties in verenigingen en secties van de KKUSH, maar vooral wanneer we weten dat hij een succesvolle africhter was geweest, dan is het overduidelijk dat voor hem de dualiteit ‘theorie – praktijk’ een niet bestaande gedachtenconstructie was.

    Jean was ook zeer goed op de hoogte van trimmen en toiletteren van honden, in theorie én praktijk. Verder kon hij als geen ander met honden omgaan, maar zelf pronken met een tentoonstellingshond of een werkkampioen deed hij nooit. Wel zagen we hem jaren na elkaar overal opdagen met zijn Bouvier en later met zijn Mechelaar. Ze mochten overal met hem mee, ze waren zijn onafscheidelijke gezellen. Ze gedroegen zich onder de mensen en in zeer drukke omstandigheden op een manier die voor ons allen en voor iedere doodgewone hondenliefhebber een onbereikbaar ideaal bleek te zijn. Dit wonderlijke samenspel tussen hond en baas was gewoon het resultaat van adequate opvoeding en van het kunnen omgaan met honden. Wie kán omgaan met honden bezit eigenlijk ook een natuurlijke gave, men kan het of men kan het niet, maar Jean kon het!

    Jean Du Mont heeft veel gedaan voor de Koninklijke Maatschappij, maar meestal achter de schermen, want hij wilde zeker niet in de kijker lopen en hij is nooit een carrièrejager of een streber naar belangrijke bestuursfuncties geweest. De secretarissen-generaal van de Maatschappij, Baron Jules en Baron Jean-Pierre Coppens d’Eeckenbrugge, wisten dat ze altijd op hem konden rekenen. Hij was een begenadigd causeur en op de door de Maatschappij ingerichte grote evenementen was hij de veeltalige, briljante redenaar of een ceremoniemeester met stijl. Heel velen zullen hem vooral herinneren als de erudiete tweetalige commentator in de erering van de belangrijkste Belgische tentoonstellingen. Ook op de “Landbouwdagen” op de Heizel vertegenwoordigde hij er de Koninklijke Maatschappij en hij gaf er commentaar over de daar tentoongestelde kampioenshonden. Deze voorgestelde kampioenshonden honden behoorden tot de Belgische rassen en Jean deed natuurlijk niets liever dan onze nationale rassen promoten. We kunnen er hier nog aan toevoegen dat in de beginjaren van de “Landbouwdagen” Jean er zelfs commentaar gaf over paarden, koeien, varkens en nog andere dieren!

    Wie nu zou durven denken dat Jean zich alleen maar thuis voelde in de wereld van de honden heeft het volledig verkeerd voor. We hebben heel dikwijls samen gekeurd, ook in het buitenland. Tijdens het reizen en ter plaatse hadden we dan veel gelegenheid om met elkaar te praten. Welke onderwerpen we dan bij onze gesprekken ook maar aansneden, hij bleek altijd van alle markten thuis te zijn. Ooit logeerde ik samen met hem in Engeland bij een bestuurslid aldaar dat toevallig ook een paardenliefhebber was. Terstond begon Jean daar een uiteenzetting te geven over paarden en de paardenliefhebberij in al zijn facetten. Dat iedereen verbaasd stond te kijken is een understatement. Voor mij was hij plots ook een paardenexpert. Wanneer hij het over wijnkunde had kon ikzelf ook alleen maar eerbiedig luisteren. Ooit hebben we zelfs eens van gedachten gewisseld over organische kleurstoffen, een toch wel zeer gespecialiseerd wetenschappelijk onderwerp, en opnieuw bleek hij hiervan goed op de hoogte te zijn. Zelf heb ik de Tweede Wereldoorlog meegemaakt als jonge knaap, maar Jean was wel wat ouder en hij bleek een veel meer dan gangbare kennis te hebben over alles wat er dan is gebeurd. Hij was immers, opnieuw niet te geloven,  zowel in het Engelse als het Amerikaanse leger geëngageerd geweest. Daarom praatte hij even vlot Amerikaans Engels als klassiek Engels. 

    De geestelijke kynologische nalatenschap van Jean Du Mont is groot. Door woorden en daden, maar dus niet altijd zeer expliciet, heeft hij de leden van de georganiseerde Belgische kynologie enkele belangrijke boodschappen meegegeven.

    Zijn eerste boodschap of nalatenschap is in ieder geval dat we niet mogen opsplitsen of polariseren wat een eenheid vormt of zou moeten vormen. Het komt er ook op neer dat alle hondenliefhebbers, eender waar, in welke discipline dan ook, als lid of als bestuurslid van om het even welk bestuur, eensgezind aan één zeel moeten trekken, ten bate van de kynologie. We willen hier nog verduidelijken dat nogal dikwijls het begrip kynologie uitsluitend in verband wordt gebracht met fokken, schoonheid en tentoonstellingen. Voortdurend benadrukken wij nochtans dat dit een volkomen verkeerde zienswijze is. Organisatoren, schoonheidskeurmeesters, africhtingskeurmeesters, exposanten, africhters, enz., ze zijn allemaal kynologen, mensen dus die de hondenliefhebberij in welke discipline of functie dan ook, met volle toewijding en met zoveel mogelijk kennis van zaken trachten te beoefenen.

    Een tweede, heel belangrijke boodschap van Jean is zonder de minste twijfel dat we de plicht hebben om onze nationale Belgische rassen altijd en overal te promoten. Dat was ook de boodschap van andere grote figuren die de Belgische kynologie heeft gekend, zoals Félix-Eugène Verbanck, Justin Chastel en Georges Van Ceulebroeck. Onze Belgische rassen behoren niet alleen tot ons nationaal erfgoed, maar het belang en de reputatie van elk van deze rassen in de totaliteit van alle FCI-rassen is zonder meer benijdenswaardig.

    Zijn derde grote boodschap ten slotte is toch wel dat bij de honden het karakter primeert en dat bij de zogenaamde werkhonden de in de loop der jaren door selectie genetisch opgebouwde geschiktheid voor welke taak dan ook, niet mag verloren gaan.

          Hoger vermeldden we reeds dat hij een hele tijd geleden altijd op stap was met een Bouvier, en later maar toch nog zeer recent eigenlijk met een Mechelaar. Onlangs had hij zich ook een Schipperke aangeschaft, een ras denken we dat op de derde plaats kwam van zijn lievelingsrassen. Zijn goede vrienden Ghislain en Raymonde Van Laethem-Hancq hebben gedurende de langdurige ziekte van Jean voor zijn Mechelaar gezorgd en later ook nog voor zijn recent aangekocht Schipperke. Ze hebben mij gezegd dat ze voor die honden zullen blijven zorgen,  wat we bijzonder weten te waarderen. Deze zeer goede vrienden van hem brachten hem zelfs gedurende zijn ziekte naar tentoonstellingen waar hij moest keuren, in binnen- en buitenland.

        Naar Jean Du Mont keken we op. Hij was een heel grote meneer. De laatste maal dat we met hem nog uitvoerig hebben kunnen van gedachten wisselen was in Tertre, op een internationale tentoonstelling op 10 september 2006. Hij keurde er zijn meest geliefde rassen, de Vlaamse Koehond, de Belgische herder en het Schipperke. We denken zelfs dat dit voor hem enigszins zijn volgorde van voorkeur was. Kampioenschapstentoonstellingen van deze drie rassen heeft hij meerdere malen gekeurd. In Tertre zag ik wel dat zijn gezondheidstoestand niet schitterend was, maar zijn geest was zeer helder en nog altijd wist hij mij met veel details allerhande wetenswaardigheden uit de kynologie te vertellen. Gedurende zijn ziekte is hij blijven keuren. Zijn wilskracht en zijn optimisme waren immers onverwoestbaar en hij is met zijn kynologische activiteiten blijven doorgaan tot zijn lichamelijke toestand dit helemaal niet meer toeliet.

    Al degenen die hem goed gekend hebben zullen hem blijven herinneren als een ongelooflijk veelzijdige kynoloog met briljante gaven, als een charmante en bescheiden man, maar bovenal als iemand met een immer positieve houding. Hij was bescheiden maar toch schuwde hij de schijnwerpers niet, maar dan enkel en alleen om duidelijk te maken hoe interessant en waardevol de liefhebberij is die we allen beoefenen. Hij was bezield van de Sint-Hubertus gedachte (l’esprit Saint-Hubert). De goede verstandhouding tussen alle beoefenaars van de hondensport, in eender welke discipline of bestuur, lag hem na aan het hart. Het beeld dat we hebben van Jean moeten we blijven bewaren en we hopen dat hij een bron van inspiratie zal blijven voor al wie een rol te spelen heeft in de Belgische kynologie, nu en in de toekomst. 

                                         



Aan de familie van Jean willen we onze oprechte deelneming betuigen in hun rouw. Het moge hun een troost zijn te weten dat de waardering die we in de kynologie voor hem hebben gehad, toch wel uitzonderlijk hoog was en dat dit in onze herinneringen zo zal blijven.

Robert Pollet.

(Foto Léon Dery)

 

Sitemap
Before you exit