|
|
|
|
|
Onze Mechelaars worden " blauw " ! |
|
|
|||||
|
|
|||||
|
De
laatste tijd verschijnen in bepaalde Mechelaar bloedlijnen, honden die
een blauw-grijze of blauw-muisgrijze kleur hebben. En hun aantal lijkt
te stijgen. Waarom gaat het precies? Laten we de genetische aspecten
van dit nieuwe verschijnsel onderzoeken. In
de genetica zijn verschillende genen verantwoordelijk voor de
vachtkleur van de hond. Het gen dat ons in dit geval interesseert,
wordt geïdentificeerd door de letter „D“. Dit is de eerste letter
van het Engelse woord “Dilution“. Dit gen bestaat uit twee allelen
: het dominante “D“ en het recessieve “d“. De impact van
“d” is slechts uiterlijk zichtbaar wanneer dit allel in tweevoud
aanwezig is en bijgevolg aanwezig moet zijn in elk van de twee ouders.
Met andere woorden, de paring van twee Mechelaars, beiden dragers van
het recessief allel “d”, zal één of meerdere puppies geven die
dit allel in tweevoud bezitten. In aanwezigheid van het paar “dd“,
verdunt het zwarte pigment, genaamd eumelanine, volledig. Eumelanine
zorgt voor de zwarte kleur van de huid, het haar en de iris van de
hond. De zwarte kleur van het masker en van het “zwart-gevlamd” (charbonné)
verdunt zich en gaat over naar “blauw-grijs“ (slate blue). Vandaar
het woord “blauw“. De neus, de voetzolen, het gehemelte en de
omtrek van de ogen worden “blauw-zwart“. De impact van „dd“ op
de vaalrosse kleur (pheomelanine) vervaagt de kleur en maakt de vacht
minder glanzend (“flattening or dulling” in het Engels). In
overeenstemming met de tweede wet van Mendel, geeft de paring van twee
Mechelaars die elk één recessieve allel “d“ dragen, de volgende
nestsamenstelling:
Met
andere woorden, de helft van de puppies of 2/3 van de Mechelaars van
dit nest zijn, net zoals hun ouders, ook dragers van het recessieve
allel “d“. In enkelvoudige dosis kan dit recessieve allel zich
gedurende enkele generaties onzichtbaar verspreiden en plotseling
opduiken tot grote verbazing van de fokker. Volgens de wetten van
Mendel, geeft de paring van twee „blauwe“ honden altijd
“blauwe“ puppies. Een onderzoek op Internet wijst op het bestaan
van dit allel bij andere rassen zoals de Duitse Herder, de Boxer, de
Dobermann en de Duitse Dog. Een
genealogisch onderzoek lijkt noodzakelijk om de oorsprong van het
inbrengen van dit recessief allel te lokaliseren en om de “d”
dragende bloedlijnen te identificeren. Het is belangrijk om dit in
kaart te brengen omdat de zogenaamde “blauwe” honden aanleg
vertonen voor bepaalde pathologische aandoeningen. Er zijn al enkele
gevallen gemeld. In andere rassen zijn ze zelfs goed gekend.
Over welke aandoeningen gaat het? Laat ons enkele aspecten bekijken. De
honden die drager zijn van "dd“ lijken vatbaar voor een vorm van
haarverlies (alopecie). “Color Dilution Alopecia“ (CDA) is de
gebruikelijke geneeskundige term. Het begin van de periode van
haarverlies bevindt zich tussen de leeftijd van zes maanden en drie
jaar. Het getroffen deel van de huid is over het algemeen
schilferig en gevoelig voor bacteriële besmettingen. De oorzaak van
deze ziekte is niet gekend. Hoewel er een duidelijk verband bestaat
tussen verdunde pigmentatie en haarverlies, zijn er toch honden die
eraan ontsnappen. Bij de Dobermann bijvoorbeeld zijn 50 tot 80%
van de honden met verdunde pigmentatie ook getroffen door haarverlies.
De
aanwezigheid van het allel “d“ in dubbele dosis is ook
verantwoordelijk voor het verdunnen van de iriskleur. Dat geeft aan
het oog een “grijs-blauwe” tint die evolueert met de leeftijd, of
wazige ogen (smoky eyes). Het oog is niet meer bruinachtig of donker.
Het blauwachtige oog is wellicht minder bestand tegen het licht en,
ernstiger nog, er zijn ook oogziektes gesignaleerd. Wat
leert ons de geschiedenis? Een diepgaande studie van de historische
teksten maakt het mogelijk om een beroep te doen op de ervaring van
onze voorgangers. De beslissingen genomen in 1920 zijn leerrijk op dit
gebied. Om ons ras opnieuw samen te stellen, na de bijna volledige
uitroeiing door de Eerste Wereldoorlog, organiseerde de “Koninklijke
Maatschappij Sint-Hubertus” op 8 februari 1920 een raadplegende
algemene vergadering. Zij adviseerde om enkel die honden, die strikt
aan de vereisten van de rasstandaard voldeden, te erkennen als
Belgische Herdershond. Ze werden ook als dusdanig erkend indien ze een
andere kleur hadden dan deze die werd aanvaard voor de vroegere vijf
variëteiten, op voorwaarde dat deze kleur voorkomt in het gamma van
de tinten gaande van zwart tot vaalros of een mengeling daarvan. In
een artikel gepubliceerd in maart 1920, beschrijft Charles Huge, een
van onze meest vooraanstaande kynologen, met nauwkeurigheid de grenzen
van de kleuren van de Belgische herder. Charles Huge nam deel aan de
hierboven vermelde raadplegende algemene vergadering van 1920. “Blauw-grijs“
heeft nooit deel uitgemaakt van het genetische erfdeel van ons
Belgische herders. Geen enkele standaard heeft deze vachtkleur ooit
vermeld. De kleur van de ogen, wordt in elke rasstandaard beschreven
als bruin, bij voorkeur donker.
In de voetstappen van Charles Huge, doe ik een oproep aan het ethische
verantwoordelijkheidsgevoel van alle fokkers om deze
“verdunningsgenen met pathologische aanleg” uit de genetische pool
van onze Herders te verwijderen. De voortreffelijke reputatie van
gezondheid en kwaliteiten van de Mechelaar moet ongeschonden blijven.
De naam “Mechelaar“ is en blijft uitsluitend voorbehouden aan de
kortharige variëteit met een “zwart-gevlamd vaalrosse” kleur. Jean-Marie
Vanbutsele Referenties |
|||||
|