|
|
|
|
|
Le Bouvier de Roulers |
|
|
|||||
|
De
Koehond en de B.K.C. Voor
de oorlog van 1914-1918 Onder
de signatuur van Ch. Roberfroid, directeur-stichter van het
tijdschrift «L’Eleveur belge» (De Belgische Kweker), verscheen er
een standaardproject in het nummer van 12 september 1909. Hij citeerde
ook de honden van M. Paret met illustratie. Op 26 december 1909
publiceerde het tijdschrift een afschrift uit de algemene vergadering
van de «Bouvier Club Belge» (B.C.B.) (Belgische Koehond Club), met
zetel te Moeskroen, die voorgezeten werd door M. J. Van Haezebrouck.
Ook een «Koehond Standaard» opgemaakt door de vergadering
werd gepubliceerd. Daarin staat beschreven dat de vacht halflang, hard
en warrig is; dat het kleur gestroomd, ijzergrijs, vaalros of zwart is;
en dat de schofthoogte voor de teven 55 tot 60 centimeter is en voor
de reuen 60 tot 68 centimeter. Speciale
tentoonstellingen van koehonden hadden o.a. plaats in Ieper op 13-14
augustus 1911 en in het Jubelpaleis te Brussel op 24 september 1911. Hieronder
enkele alinea’s van het verslag van de keurder A. Embrechts over de
tentoonstelling in Ieper, georganiseerd door de «Berger Club Yprois»
(Ieperse Herdershond Club) (verbonden met de B.K.C.). Er waren 23
koehonden aanwezig. De
eerste prijs in de open klasse werd toegekend aan «Marius des
Baies», gekwalificeerd als «Mooie hond (type Moerman)». In de
klasse van de overwinnaars behaalde «Mirza de Courtrai» de eerste
prijs. Ze werd beschreven als: «een goede hond, bekend, type Paret,
een beetje licht». «Marius
des Baies» behaalde opnieuw de eerste prijs in de open klasse in
Brussel op de tentoonstelling van 24 september, georganiseerd door de
«Club du Chien de Berger belge» (Club van de Belgische Herdershond).
Ch. Roberfroid, die als keurder zetelde, kwalificeerde ze als volgt:
«Fantastische, zwarte hond met goede grootte, goede vacht, goede
snor en wenkbrauwen, goede uitdrukking, goede beenstand». In heel
zijn verslag maakt Ch. Roberfroid geen enkele verwijzing naar het type
«Paret», noch naar het type «Moerman».
«Een
veertigtal honden kwamen er bijeen» schreef Ch. Roberfroid,
«en onmiddellijk vonden alle afgevaardigden dat er een aanzienlijke
verscheidenheid tussen de aanwezige types bestond. Dit leidde tot een
verdeling in twee categorieën, waarvoor de deelnemers opgedragen werden
de raspunten op te stellen. Valère Domicent aanvaardde de positie als
secretaris voor de Vlaamse Koehonden; ik aanvaardde als opsteller te
fungeren voor de eigenaars van de koehonden Pikhaar. » De
raspunten voor de twee types koehonden werden uitgewerkt («Vlaamse
Koehond» en «Koehond Pikhaar»). Enkele dagen later keurde
de Algemene Raad van de B.K.C. de raspunten goed en publiceerde ze in «L’Eleveur
belge». In
de praktijk was het onderscheid tussen beide types niet steeds duidelijk.
Ook was er nog het type «Briard Koehond», een sterke hond, vaak
zwart of donkergrijs, met overvloedige vacht die de ogen verbergt. Dit
type zal niet verdwijnen gezien het in veel nesten zal terugkomen. Ter
gelegenheid van de tentoonstelling van de B.K.C. in Brussel op 23 en 24
juni 1912, werden de Belgische koehonden van het type «Pikhaar» door
Ch. Roberfroid beoordeeld. «Marius» behaalde opnieuw de eerste prijs
in de klasse van de overwinnaars. Hij werd het toonbeeld van de koehond
«Pikhaar» (type Moerman of Roeselaarse Koehond). Na
de oorlog van 1914-1918 Inzake
tentoonstellingen, werd de activiteit van de B.K.C. vanaf het begin van
de oorlog tot in 1926 geschorst. Het tijdschrift «Le Kennel» (later «L’Elevage»)
verscheen voor het eerst in juni 1925. Op
25 juli 1926 vond er een nieuwe speciale vergadering van de koehond
plaats in Bosvoorde (tegen Brussel) waarop de Belgische en zelfs de
Franse koehondenclubs uitgenodigd waren. Het doel was een einde te
stellen aan de uiteenlopende strekkingen over de raspunten van de
koehond. Uit
een vergelijkende studie van de raspunten (gepubliceerd in het
tijdschrift «Le Kennel» n° 15 van 25 juli 1926) van de Vlaamse
Koehond (B.K.C. en C.F.B.F. van Rijsel) en van de Roeselaarse Koehond (B.K.C.,
K.M..S.H. en C.N.B.B.F. van Gent) bleek dat «de Vlaamse en de
Roeselaarse Koehond compleet verschillend waren op het vlak van hun
grootte, hun algemene bouw, de vorm van hun kop, hun borstkas, de
textuur van hun vacht en hun kleur». Na onderzoek en discussie werd
door de meerderheid besloten (behalve door de afgevaardigden van de
‘Club National du Bouvier Belge des Flandres` uit Gent (Nationale Club
van de Vlaamse Koehond)) dat de opsplitsing in twee types koehonden
behouden bleef: de «Vlaamse Koehond» en de «Roeselaarse Koehond
of Pikhaar». Op
30 september 1930 besloot de Directieraad van de B.K.C. enige
wijzigingen aan de raspunten toe te voegen. a.
de Belgische koehond (pikhaar of type Moerman of Roeselarse Koehond) b.
de Vlaamse Koehond (type Paret) In
1932 schreef Auguste Caspers, keurder en directeur van het tijdschrift
«l’Elevage», in het kerstnummer: De
B.K.C. heeft de twee raspunten sinds het begin van de beweging van de
koehond tot op vandaag behouden. In bijlage vindt u «De Raspunten van
de Roeselaarse Koehond» zoals gepubliceerd eind 1932 en bij de «Belgische
Kennel Club» nog steeds van toepassing. De
B.K.C. publiceerde enkel een Stamboek (L.O.B van 1934 tot 1937. In 1934
en 1935, de enige twee jaren die ik terugvond, waren er een behoorlijk
aantal inschrijvingen. 1934
– «Belgische Koehond (Roeselaarse)»
26 individuele inschrijvingen en 27 nesten 1935
- «Belgische Koehond (Roeselaarse)»
28 individuele inschrijvingen en 20 nesten Om
een indruk te geven van het belang en de spreiding van de rassen toen:
de L.O.B. van 1935 telde 872 ingeschreven Duitse Schepers, 573 Belgische
Schepers (waarvan 363 Mechelaars, 150 Groenendaelers, 43 Tervuerens, 17
met «kort zwart haar» en geen enkele ruwharige), en 177 koehonden (waarvan
115 Roeselaarse Koehonden). Na
de oorlog van 1940-1945 ging het ras van de «Roeselaarse Koehond»
erop achteruit. Op de tentoonstelling van 11 juli 1948 in het
Jubelpaleis telde de catalogus slechts zeven honden.
Ja,
de kleurenfoto bij deze tekst is er het levend bewijs van. Hij is
afkomstig uit een actieve fokkerij. Er zijn slechts drie fokkers en
enkele amateur-eigenaars van deze fantastische koehond. Het is niet te
laat om op te komen voor zijn behoud en hem een nieuwe heropleving te
geven. Denk maar terug aan het recente voorbeeld van de «Ardense Koehond»:
zijn kweek is in een herstelfase beland en enkele honden vinden opnieuw
de weg naar de tentoonstellingen. In
de loop der jaren evolueerden de kenmerken van de «Roeselaarse Koehond»
en die van de «Vlaamse Koehond» zodanig dat het onmogelijk is om
nog over twee types of varianten te spreken. Het zijn duidelijk twee
verschillende rassen. Voor de oorlog van 1914-1918 kon men op bepaalde
foto’s een Duitse Scheper met een Mechelaar verwarren. Vandaag is het
niet meer het geval. Maar er is minder verschil tussen de «Hollandse
Herdershond» en de «Belgische Herdershond » dan tussen de twee hoger
vermelde koehonden.
De
«Roeselaarse Koehond» onderscheidt zich hoofdzakelijk van de «Vlaamse Koehond»
door de volgende kenmerken:
Laat
ons streven naar het behoud van deze magnifieke «Roeselaarse Koehond»
die deel uitmaakt van ons genetisch hondenpatrimonium. En laat ons hem
zijn verdiende plaats tussen de andere Belgische hondenrassen teruggeven.
Vroeger was hij een sterk gewaardeerde hond in de ringwedstrijden en als
hulpkracht voor de politie. Deze
oproep gaat uit naar de amateurs. (*)
Het couperen van de oren is sinds 1 oktober 2001 verboden (K.B.
van 17 mei 2001). Bijlage RASPUNTEN
van de ROESELAARSE KOEHOND
|
|||||
|