|
|
|
|
| De Roeselaarse Koehond | ||
|
(of Bouvier of Veedrijver) |
|
|
|
|
|||||
|
Deze
uiteenzetting over de «Roeselaarse Koehond» past in het kader van een
geschiedkundige studie over de Belgische hondenrassen. Het onderzoek
berust op basisdocumenten. De uiteenzetting geeft de voornaamste of
opvallendste feiten, alsook de data en de cijfers, in hun historische
context weer. Deze
studie neemt ook een standpunt in op het vlak van biodiversiteit. Ons
uitzonderlijk genetisch hondenerfgoed verdient aandacht nu het door
uitsterven bedreigd is. De «Ardense Koehond» is een gelijkaardig
voorbeeld. De
benadering van Professor Ad. Reul Tijdens
de tentoonstelling van de Luikse Kynos Club van 27 tot 29 april 1901,
uitte Ad. Reul zich als volgt over de koehond: Na
een ziekte, stierf Professor Ad. Reul op 10 januari 1907. De professor
van zoötechniek van de faculteit dierengeneeskunde in Cureghem,
dichtbij Brussel, werkte de eerste raspunten uit van de Belgische
herdershond in 1892. Als keurder gedurende ongeveer 10 jaar droeg hij
bij tot het vastleggen van de types, want hij hield echt van onze
rustieke, waakzame en intelligente herdershond. In 1899 wijdde hij een
eerste grondige studie aan de Belgische trekhond, ras waarvoor hij zich
eveneens inspande. Gedurende meer dan vijftien jaar drukte hij zijn
stempel op de Belgische kynologie. Rond
1909-1910 begon men zich echt voor onze koehonden te interesseren.
Vanwaar zijn ze afkomstig? Van een mengeling die moeilijk exact is vast
te stellen maar waarin we onder meer de trekhond en de ruwharige
herdershond terugvinden. Het is de ruwharige koehond die, door zijn
talrijke vertegenwoordigers in ons land, behouden werd. Vanaf
1908 waren er in België twee hondenfederaties. De ene was opgericht in
1882: de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (K.M.S.H.). De andere,
de Belgische Kennel Club (B.C.K.) werd later opgericht, namelijk in de
tweede helft van 1908. Deze laatste leek meer amateurs van
werkhonden aan te trekken. Deze twee federaties hebben zich over de
kwestie van «koehonden» gebogen. Voor de duidelijkheid van deze
uiteenzetting onderzoeken we hun aandeel in de “koehondenbeweging”
en meer bepaald in die van de «Roeselaarse Koehond».
Voor
de oorlog van 1914-1918 L.
Paret toonde zijn koppel koehonden op de tentoonstelling van Brussel
(21-23 mei 1910), georganiseerd door de K.M.S.H. De keurder was Louis
Huyghebaert, de peter van onze Mechelaar. Een uittreksel uit zijn
verslag:
|
|||||
|
De
«Roeselaarsche Honden Club» (R.H.C.), erkend door het K.M.S.H.,
hield zich actief bezig met de selectie van de koehond. Het
tijdschrift «Chasse et Pêche» van 16 maart 1912, citeert een
standaard van de «Roeselaarse Koehond» volgens besluit van de
Club. In
het tijdschrift «Chasse et Pêche» van 23 maart 1912 verscheen het
artikel «Le Bouvier de Roulers» (De Roeselaarse Koehond). De keurder
Vital Taeymans drukte zich in enkele termen hierin uit:
Velen
vergezellen politieagenten op hun ronde, douaniers langs de grenzen en
bodes voor wie ze de trouwe compagnon en bewakers van hun goederen
zijn!» Tijdens
de tentoonstelling van de K.M.S.H. in Brussel was V. Taeymans keurder
voor de koehonden en hij besloot zijn verslag met de volgende woorden: De
R.H.C. nodigde enkele afgevaardigden van de K.M.S.H. uit om het ras
koehond, ofwel «pikhaar», te bespreken en hun raspunten te
herbekijken. Respondenten op deze oproep waren: MM. A. Houtart, J. Lévita
en de baron Van Zuylen, van de K.M.S.H.; MM. Orban en Taeymans, officiële
raskeurders. Onder de titel «Le Bouvier de Roulers» (Roeselaarse
Koehond) werden de gedefinieerde raspunten bekend gemaakt op 3
augustus 1912 in het weekblad «Chasse et Pêche». De
eerste inschrijving in het `Livre des Origines Saint-Hubert` (L.O.S.H.)
(Stamboek van de K.M.S.H.) dateerde van 1913. Vier reuen en vier
teefjes waren ingeschreven onder de benaming «Chien Bouvier de
Roulers» (Roeselaarse Koehond). In 1914 waren dit drie reuen en twee
teefjes. Ter
informatie willen we melden dat op 6 april 1912 «Chasse et Pêche»
een artikel met de titel «Le Bouvier des Flandres» (De Vlaamse
Koehond) publiceerde. F. Fontaine, vice-president van de ‘Club
Saint-Hubert du Nord’ (Frankrijk), had het over de oprichting van
een club te Rijsel (Lille) enkele maanden voordien. De commissie van
deze club heeft een standaard ontwikkeld die hij beschreef in het
vervolg van het artikel. Gezien
geen enkele club zich in het bijzonder in de «Vlaamse Koehond –
type Paret » verdiepte voor de oorlog van 1914-1918, werd dit
enigszins verwaarloosd.
De
koehond werd bekend tussen 1911 en 1914. Tijdens de oorlog van
1914-1918 lag de regio van oorsprong van de koehond midden in de
gevechtszones. Hun aantal verminderde dan ook in Vlaanderen. Wat
was juist de toestand van onze West-Vlaamse koehonden, «de Vlaamse»
en «de Roeselaarse», en hoe verliep hun kweek na de oorlog van
1914-1918? Charles Huge gaf het antwoord hierop tijdens de
Internationale tentoonstelling van Antwerpen van 2-3 mei 1920 waar
Zijne Majesteit koning Albert I op bezoek kwam: Charles
Huge schreef (in «Chasse et Pêche» van 26 juni) over de
tentoonstelling van de K.M.S.H. van 18-19 juni 1921 in Brussel: Iets
daarvoor verscheen in september 1919 in «Chasse et Pêche» een lange,
slecht gestructureerde studie van de keurder van de K.M.S.H. Vital
Taeymans getiteld: «Nos Bouviers Belges» (Onze Belgische Koehonden)
waarin hij, pleitend voor de unificatie, schreef: Twee
jaar later, op 21 juni 1921, besloot de `Club du Bouvier Belge` (C.B.B.)
(Belgische Koehond Club) de teelt te begeleiden naar een uniek type
koehond die de naam «Bouvier belge des Flandres» (Belgische
Vlaamse Koehond) droeg. De meerderheid koos voor de standaard die
voorheen «de Roeselaarse Koehond» genoemd werd, echter met deze
wijziging: alle haarkleuren zijn toegelaten, voornamelijk de essentiële
kwaliteiten van de gebruikshond zijn van belang. Dit besluit werd door
de K.M.S.H. goedgekeurd. Met
het oog op de unificatie en de hoop om een akkoord tussen de amateurs
te bereiken, organiseerde de «Club National Belge du Bouvier des
Flandres» (C.N.B.B.F), gesticht in Gent op 15 januari 1922, op zondag
3 juni 1923 een bijeenkomst in Gent. Twaalf koehonden waaronder de
bekendste waren aanwezig. Na onderzoek werd de standaard van de «Bouvier
belge des Flandres» definitief bepaald. Deze werd pas op 7 oktober
1923 in «Chasse et Pêche» gepubliceerd. De raspunten en benaming
werden officieel erkend door de K.M.S.H. en de `Fédération
Cynologique Internationale` (F.C.I.). Ter
informatie vindt u hier het aantal honden en de gebruikte benaming in
de catalogi van de tentoonstellingen van de K.M.S.H. in Brussel: in
1922: 17 «Chiens de Bouvier belges des Flandres» (Belgische
Vlaamse Koehond) in
1923: 29 «Chiens de Bouvier belges des Flandres» (Belgische
Vlaamse Koehond) Wat
stellen we vast in de «Livres des Origines Saint-Hubert» (L.O.S.H) (Stamboek
van de K.M.S.H.) ? |
|||||
|