Belgian Dogs & Malinois Worldwide

De Roeselaarse Koehond 

 (of Bouvier of Veedrijver) 


 

Deze uiteenzetting over de «Roeselaarse Koehond» past in het kader van een geschiedkundige studie over de Belgische hondenrassen. Het onderzoek berust op basisdocumenten. De uiteenzetting geeft de voornaamste of opvallendste feiten, alsook de data en de cijfers, in hun historische context weer.

Deze studie neemt ook een standpunt in op het vlak van biodiversiteit. Ons uitzonderlijk genetisch hondenerfgoed verdient aandacht nu het door uitsterven bedreigd is. De «Ardense Koehond» is een gelijkaardig voorbeeld.

De benadering van Professor Ad. Reul

Op 1 juli 1900 werd op de regionale landbouwbeurs van Hasselt de eerste koehondwedstrijd georganiseerd waar vier honden getoond werden. «Deze tentoonstelling gaf niet wat we verwachtten op het gebied van de koehonden», commentarieerde professor Ad. Reul in het tijdschrift «Chasse et Pêche» (Jacht en Visvangst) van 29 juli 1900.

Tijdens de tentoonstelling van de Luikse Kynos Club van 27 tot 29 april 1901, uitte Ad. Reul zich als volgt over de koehond:
«De kwestie van de unificatie van het koehondras, met het oog op het ontstaan van een nieuw Belgisch hondenras, blijft chaotisch. Dit ondanks onophoudelijk aandringen van de organisatoren van de hondententoonstellingen bij de amateurs.»
Zestien honden waren voor de koehondwedstrijd ingeschreven, maar niets in hun fysionomie wees op een gemeenschappelijke afkomst. 
«Het ras koehonden», schreef Ad. Reul «was talrijker in Luik dan waar ook tot op vandaag. Maar kwaliteit primeert op kwantiteit. Zo willen we de honden groeperen volgens soortgelijke karaktereigenschappen om, na raszuivering gedurende enkele generaties, er een ras van te maken met zijn eigen kenmerken en liefhebbers. Qua strenge bewakers van eigendommen en verdedigingshonden zal dit ras nummer één in de wereld zijn.»

Na een ziekte, stierf Professor Ad. Reul op 10 januari 1907. De professor van zoötechniek van de faculteit dierengeneeskunde in Cureghem, dichtbij Brussel, werkte de eerste raspunten uit van de Belgische herdershond in 1892. Als keurder gedurende ongeveer 10 jaar droeg hij bij tot het vastleggen van de types, want hij hield echt van onze rustieke, waakzame en intelligente herdershond. In 1899 wijdde hij een eerste grondige studie aan de Belgische trekhond, ras waarvoor hij zich eveneens inspande. Gedurende meer dan vijftien jaar drukte hij zijn stempel op de Belgische kynologie.

Rond 1909-1910 begon men zich echt voor onze koehonden te interesseren. Vanwaar zijn ze afkomstig? Van een mengeling die moeilijk exact is vast te stellen maar waarin we onder meer de trekhond en de ruwharige herdershond terugvinden. Het is de ruwharige koehond die, door zijn talrijke vertegenwoordigers in ons land, behouden werd.

Vanaf 1908 waren er in België twee hondenfederaties. De ene was opgericht in 1882: de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (K.M.S.H.). De andere, de Belgische Kennel Club (B.C.K.) werd later opgericht, namelijk in de tweede helft van 1908. Deze laatste leek meer amateurs van werkhonden aan te trekken. Deze twee federaties hebben zich over de kwestie van «koehonden» gebogen. Voor de duidelijkheid van deze uiteenzetting onderzoeken we hun aandeel in de “koehondenbeweging” en meer bepaald in die van de «Roeselaarse Koehond».


De Koehond en de K.M.S.H.

Voor de oorlog van 1914-1918

L. Paret toonde zijn koppel koehonden op de tentoonstelling van Brussel (21-23 mei 1910), georganiseerd door de K.M.S.H. De keurder was Louis Huyghebaert, de peter van onze Mechelaar. Een uittreksel uit zijn verslag:
«De koehonden zijn slechts door twee exemplaren vertegenwoordigd: een mooi sterk koppel dat aan Dhr. Paret uit Gent toebehoort. Het volstaat in de intelligente ogen van Rex en zijn gezellin Nelly te kijken om van deze goede honden te houden. Rex is veruit de betere van de twee. Hij is meer van het ras «koehond» dan het teefje die te veel op een herdershond lijkt. De koehond moet het robuuste en rustieke uitstralen. Het moet een «blok» zijn die afziet van enige elegantie.»

 

De «Roeselaarsche Honden Club» (R.H.C.), erkend door het K.M.S.H., hield zich actief bezig met de selectie van de koehond. Het tijdschrift «Chasse et Pêche» van 16 maart 1912, citeert een standaard van de «Roeselaarse Koehond» volgens besluit van de Club.

In het tijdschrift «Chasse et Pêche» van 23 maart 1912 verscheen het artikel «Le Bouvier de Roulers» (De Roeselaarse Koehond). De keurder Vital Taeymans drukte zich in enkele termen hierin uit:
«Elke streek in West-Vlaanderen heeft een variant op het ras van de koehond; het meest interessante dat onze aandacht verdient is zeker het type uit de regio Roeselare. 
Deze honden, in de volksmond «pikhaar» genoemd door hun ruwe, harde vacht, (niet te verwarren met «picard», de herdershonden van Picardie), worden ook «vuilbaard» genoemd doordat hun lippen voorzien zijn van een harde vacht.
De uitdrukking van de hond moet zijn zoals die van een terriër; hij heeft het postuur en de kracht van een jachthond, de intelligentie en de onstuimigheid van een herdershond; als waakhond steekt hij deze laatste voorbij door zijn grootte, zijn kracht en de macht van zijn kaken met sterke, goed aangepaste tanden, een goed ontwikkelde neus; kortweg «de droom van de dressuuramateurs».

Velen vergezellen politieagenten op hun ronde, douaniers langs de grenzen en bodes voor wie ze de trouwe compagnon en bewakers van hun goederen zijn!»

Tijdens de tentoonstelling van de K.M.S.H. in Brussel was V. Taeymans keurder voor de koehonden en hij besloot zijn verslag met de volgende woorden:
«Nooit zijn er mooiere koehonden gezien in Saint-Hubert dan tijdens deze tentoonstelling. De vereniging van de Club van Roeselare heeft grotendeels bijgedragen tot dit succes».
In de open klasse streden vier concurrenten om de prijzen. De eerste prijs kwam toe aan «Marius des Baies» met als kwalificatie: «mooie hond, goede kop, goede vacht, slechte poten; het gebeente zou sterker kunnen zijn».

De R.H.C. nodigde enkele afgevaardigden van de K.M.S.H. uit om het ras koehond, ofwel «pikhaar», te bespreken en hun raspunten te herbekijken. Respondenten op deze oproep waren: MM. A. Houtart, J. Lévita en de baron Van Zuylen, van de K.M.S.H.; MM. Orban en Taeymans, officiële raskeurders. Onder de titel «Le Bouvier de Roulers» (Roeselaarse Koehond) werden de gedefinieerde raspunten bekend gemaakt op 3 augustus 1912 in het weekblad «Chasse et Pêche».

De eerste inschrijving in het `Livre des Origines Saint-Hubert` (L.O.S.H.) (Stamboek van de K.M.S.H.) dateerde van 1913. Vier reuen en vier teefjes waren ingeschreven onder de benaming «Chien Bouvier de Roulers» (Roeselaarse Koehond). In 1914 waren dit drie reuen en twee teefjes.

Ter informatie willen we melden dat op 6 april 1912 «Chasse et Pêche» een artikel met de titel «Le Bouvier des Flandres» (De Vlaamse Koehond) publiceerde. F. Fontaine, vice-president van de ‘Club Saint-Hubert du Nord’ (Frankrijk), had het over de oprichting van een club te Rijsel (Lille) enkele maanden voordien. De commissie van deze club heeft een standaard ontwikkeld die hij beschreef in het vervolg van het artikel.
«In het noorden van Frankrijk en in de regio van Warneton tot Ieper bestaat er een hond met harde vacht die door de veehoeders gebruikt wordt. Het is de Vlaamse Koehond».

Gezien geen enkele club zich in het bijzonder in de «Vlaamse Koehond – type Paret » verdiepte voor de oorlog van 1914-1918, werd dit enigszins verwaarloosd. 
Een Luikse club echter, met voorzitter J. Lousberg, boog zich over de «Bouvier des Ardennes». Dit is een hond met niet gecoupeerde oren, die niet op zijn West-Vlaamse soortgenoot lijkt. De eerste artikels die de raspunten behandelden van de «Chien de Bouvier de la province de Liège et des Ardennes» (Luikse en Ardense Koehond) verschenen in november en december 1913 in het tijdschrift «Chasse et Pêche».


Na de oorlog van 1914-1918

De koehond werd bekend tussen 1911 en 1914. Tijdens de oorlog van 1914-1918 lag de regio van oorsprong van de koehond midden in de gevechtszones. Hun aantal verminderde dan ook in Vlaanderen.

Wat was juist de toestand van onze West-Vlaamse koehonden, «de Vlaamse» en «de Roeselaarse», en hoe verliep hun kweek na de oorlog van 1914-1918? Charles Huge gaf het antwoord hierop tijdens de Internationale tentoonstelling van Antwerpen van 2-3 mei 1920 waar Zijne Majesteit koning Albert I op bezoek kwam: 
«Zijne Majesteit interesseerde zich in alle tentoongestelde rassen en voornamelijk, vanzelfsprekend voor de rassen van ons land. We toonden hem de erkende types van een excellente klasse van Belgische koehonden waaronder een twintigtal Roeselaarse Koehonden, vier Vlaamse Koehonden en één Ardense Koehond`.»

Charles Huge schreef (in «Chasse et Pêche» van 26 juni) over de tentoonstelling van de K.M.S.H. van 18-19 juni 1921 in Brussel: 
«De koehonden verwekten, net zoals in Antwerpen, sensatie omwille van hun kwaliteit en gelijksoortigheid.»
Volgens de catalogus van deze tentoonstelling in 1921 waren de «Roeselaarse» in de meerderheid met 30 honden. Er waren slechts drie «Vlaamse Koehonden». De «Ardense Koehonden» waren ook met drie honden vertegenwoordigd.

Iets daarvoor verscheen in september 1919 in «Chasse et Pêche» een lange, slecht gestructureerde studie van de keurder van de K.M.S.H. Vital Taeymans getiteld: «Nos Bouviers Belges» (Onze Belgische Koehonden) waarin hij, pleitend voor de unificatie, schreef: 
«Laten we onze Vlaamse Koehonden samenvoegen! Dat moet de oproep zijn van elke amateur van dit ras.»

Twee jaar later, op 21 juni 1921, besloot de `Club du Bouvier Belge` (C.B.B.) (Belgische Koehond Club) de teelt te begeleiden naar een uniek type koehond die de naam «Bouvier belge des Flandres» (Belgische Vlaamse Koehond) droeg. De meerderheid koos voor de standaard die voorheen «de Roeselaarse Koehond» genoemd werd, echter met deze wijziging: alle haarkleuren zijn toegelaten, voornamelijk de essentiële kwaliteiten van de gebruikshond zijn van belang. Dit besluit werd door de K.M.S.H. goedgekeurd.

Met het oog op de unificatie en de hoop om een akkoord tussen de amateurs te bereiken, organiseerde de «Club National Belge du Bouvier des Flandres» (C.N.B.B.F), gesticht in Gent op 15 januari 1922, op zondag 3 juni 1923 een bijeenkomst in Gent. Twaalf koehonden waaronder de bekendste waren aanwezig. Na onderzoek werd de standaard van de «Bouvier belge des Flandres» definitief bepaald. Deze werd pas op 7 oktober 1923 in «Chasse et Pêche» gepubliceerd. De raspunten en benaming werden officieel erkend door de K.M.S.H. en de `Fédération Cynologique Internationale` (F.C.I.).

Ter informatie vindt u hier het aantal honden en de gebruikte benaming in de catalogi van de tentoonstellingen van de K.M.S.H. in Brussel:

in 1922: 17  «Chiens de Bouvier belges des Flandres» (Belgische Vlaamse Koehond)
              1  «Chien de Bouvier des Flandres (type français)» (Vlaamse Koehond –  Franse type)
              2  «Chiens de Bouvier des Ardennes» (Ardense Koehond).

in 1923:  29  «Chiens de Bouvier belges des Flandres» (Belgische Vlaamse Koehond)
              1  «Chien de Bouvier des Ardennes» (Ardense Koehond).

in 1924 : 14  «Chiens de Bouvier belges des Flandres» (Belgische Vlaamse Koehond)
              1  «Chien de Bouvier français des Flandres» (Vlaamse Koehond)
              6  «Chien de Bouvier des Ardennes» (Ardense Koehond).

Wat stellen we vast in de «Livres des Origines Saint-Hubert» (L.O.S.H) (Stamboek van de K.M.S.H.) ? 
In 1922 lezen we voor het eerst de vermelding «‘Chiens de Bouvier belges des Flandres’ (Belgische Vlaamse Koehond). De meerderheid wordt zwart geboren. Maar enkelen zijn getijgerd en grijs-zwart.» In de L.O.S.H. van 1932 is de benaming aangepast tot «Chiens de Bouvier des Flandres» (Vlaamse Koehond). Maar liefst 528 koehonden zijn ingeschreven. De «Bouvier des Flandres» (Vlaamse Koehond) zal verder evolueren tot de hond die we vandaag kennen.

volgende bladzijde

 

 


Sitemap
Before you exit